De Nederlandse krijgsmacht bereidt zich voor op een grootschalige oorlog. Maar in het geval van geweldgebruik bij Defensie werkt het juridisch systeem nog te omslachtig, concludeert UvA-onderzoeker Bas van Hoek. ‘Als de mensen met bosjes neervallen, moet je je afvragen of je alles moet onderzoeken.’
Stel je voor, je bent op uitzending en leidt militairen door een oorlogsgebied. Een groep onbekenden nadert en je vuurt een waarschuwingsschot richting de grond. De kogel raakt een steen, weerkaatst en schiet richting de naderende mensen. Een burger wordt geraakt en overlijdt. Er komt een strafzaak en jij bent de verdachte, van moord. Dit overkwam in 2004 de Nederlandse marinier Eric O.
In 2004 bracht de rechtszaak tegen O. onrust binnen Defensie. ‘Het zorgde voor heel veel stampij, want het openbaar ministerie (OM) nam al heel snel de woorden moord en doodslag in de mond,’ legt UvA-promovendus en juridisch adviseur bij Defensie Bas van Hoek uit. Hij onderzocht het systeem waarmee de Nederlandse staat toezicht houdt op het gebruik van geweld door Defensie. ‘Dat moet je niet zeggen tegen militairen die ergens naartoe gestuurd worden met een wapen en ervan uitgaan dat ze die op enig moment nodig hebben.’
‘Defensie heeft toen aan het OM gevraagd om hetzelfde behandeld te worden als politieambtenaren,’ vertelt Van Hoek. ‘Als getuigen in plaats van verdachten. Alle militairen snappen dat je verantwoording af moet leggen. Maar als zij als verdachten worden aangemerkt, geeft dat toch een unheimisch gevoel.’
Strafrechtelijke feiten
Het OM, dat voorheen alleen optrad bij vermoedens van strafrechtelijke feiten, krijgt na de zaak van O. een controlerende rol. Als er geweld wordt ingezet door de krijgsmacht, wordt dit sinds 2004 door de commandant altijd vastgelegd in een zogenoemd ‘after action report’, legt Van Hoek uit. Ongeacht of het geweldgebruik rechtmatig is of er een verdenking is van een strafbaar feit, wordt dit document niet alleen doorgestuurd op de hiërarchische ladder van Defensie. Het gaat gelijktijdig naar de marechaussee en het OM, die onafhankelijk beslissen of zij een onderzoek instellen.
Nu wordt door het Openbaar Ministerie altijd een feitenonderzoek ingesteld in het geval van burgerslachtoffers, ook als die van tevoren juist werden ingeschat, legt Van Hoek uit. Dit is volgens hem onnodig en onhaalbaar. ‘In een grootschalig gewapend conflict zijn burgerslachtoffers onvermijdelijk. Alleen als we ze totaal niet verwacht hadden, bestaat vanuit het oorlogsrecht de verplichting om ze te onderzoeken.’
Afhankelijk van de situatie zijn de Universele Rechten van de Mens of het humanitaire oorlogsrecht van toepassing. ‘Bij de rechten van de mens geldt dat je geen geweld gebruikt tenzij. Je mag dan niet zomaar je wapen trekken,’ legt Van Hoek uit. Als militair kan je hier volgens Van Hoek niet altijd vanuit gaan. ‘Op het moment dat je in een gevecht zit en je wordt aangevallen, ga je je wapen gebruiken en dan moet je het ook verdomd goed doen.’ Binnen het humanitaire oorlogsrecht wordt er wel uitgegaan van het gebruik van geweld. ‘Het uitgangspunt is vechten, want dat doe je in de oorlog.’
Dienstvoorschrift
Het toezicht van het OM is goed, vindt Van Hoek. Maar de actieve rol van de instantie terwijl ‘er geen verdenking is van onrechtmatigheid’, moet volgens hem worden herdacht.
Krijgt Defensie niet te veel speelruimte als het OM een stapje terug doet? Van Hoek meent van niet. Voor elke missie wordt er namelijk een apart dienstvoorschrift opgesteld, waarin de afspraken rondom geweldgebruik en de bevoegdheden op verschillende niveaus staan vastgelegd. ‘Als door de schending van het dienstvoorschrift mensen in gevaar komen of overlijden, is dat altijd een strafbaar feit,’ legt Van Hoek uit. ‘Commandanten hebben meldplicht als zij vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd.’
Het is juist nu urgent om kritisch te kijken naar het toezichtsregime op geweldgebruik, vindt Van Hoek. ‘Een grootschalige oorlog is in deze tijd realistisch. Daar bereiden wij ons als Defensieorganisatie op voor. Als je in een conflict zit waarbij er elke dag gevechten zijn, bommen worden gegooid en mensen met bosjes neervallen, moet je je afvragen of je verplicht bent alles te onderzoeken.’
Bas van Hoek is militair jurist bij de Koninklijke Luchtmacht en docent militair straf-en tuchtrecht aan de UvA. Hij promoveerde op 17 februari op het proefschrif It takes two to tango: A legal analysis of the dual oversight regime governing the use of force by the Netherlands Armed Forces.