De verschillen tussen Nederlandse en buitenlandse promovendi zijn groter geworden. Dat blijkt uit de tweejaarlijkse promovendi-enquête van de Centrale Promovendiraad (CPC). Nederlandse promovendi waarderen hun promotietraject vaker met een acht of hoger dan buitenlandse studenten, voornamelijk van buiten de EU. Ook wordt die laatste groep het slechtst betaald.
De UvA moet meer actie ondernemen om de hoge werkdruk in promovenditrajecten tegen te gaan en uitstel te voorkomen. Dat stelt de Centrale Promovendiraad (CPC) in haar tweejaarlijkse enquête. 54 procent van de promovendi ervaart namelijk een (te) hoge werklast en 70 procent werkt meer uren dan er in het contract staat, blijkt uit het rapport. Vooral buitenlandse promovendi, met name van buiten de EU, hebben het zwaar.
In het rapport dat deze zomer verscheen kwamen onderwerpen zoals begeleiding, voortgang, welzijn, sociale veiligheid en inkomen aan bod. Ruim 10 procent van de in totaal 4476 promovendi aan de UvA vulde de enquête in. Gemiddeld beoordelen UvA-promovendi hun promotietraject met een 7. Een ruim voldoende en iets hoger dan de 6,85 die in 2022 werd gemeten. Het is de tweede keer dat promovendi worden gevraagd een cijfer te geven.
Wat opvalt is dat Nederlandse promovendi hun promotietraject over het algemeen hoger beoordelen dan niet-Nederlandse studenten. Ook is dat verschil groter geworden ten opzichte van 2022. Toen gaven Nederlandse studenten hun promotietraject gemiddeld 10 procent vaker een 8 of hoger dan niet-Nederlandse studenten, in 2024 is dat 24 procent. Het verschil in cijfers is het grootst met de groep promovendi van buiten Europa.
Slechtst betaalde posities
Eenzelfde patroon is zichtbaar bij de inkomensverschillen tussen promovendi. Gemiddeld verdient een UvA-promovendus 2.750 euro netto per maand. 28 procent van de promovendi rapporteert een inkomen onder het minimumloon (2.369 euro) en 9 procent rapporteert een inkomen dichtbij of onder de armoedegrens (1.510 euro).
Die inkomensverschillen zijn te verklaren aan de hand van het type PhD-aanstelling. Onder de beurspromovendi, promovendi die op een beurs van een buitenlandse overheid aan de UvA studeren, verdient 40 procent minder dan 2.000 euro netto per maand. Veel van deze promovendi hebben een beurs van de Chinese regering via het Chinese Scholarship Council. Ook promovendi die promoveren in hun eigen tijd verdienen vaker minder dan 2.000 netto per maand (17 procent). Hetzelfde geldt voor extern gefinancierde promovendi (14 procent). Ter vergelijking, van de promovendi die bij de UvA in dienst zijn verdient 3 procent minder dan 2.000 netto per maand.
De Faculteit der Geesteswetenschappen scoort het hoogst op slecht betaalde promotieposities. Dat valt puur te verklaren uit het type dienstverband, daar zijn relatief weinig promovendi in dienst van de UvA. Die situatie kan volgens het CPC ‘bijdragen aan percepties van ongelijkheid tussen faculteiten’.
Welbevinden en sociale veiligheid
Een kwart van de promovendi ervaart sociaal ongewenst gedrag. Dat aandeel is – ondanks de maatregelen van de UvA om sociale veiligheid te verbeteren – in de afgelopen jaren gelijk gebleven. De CPC ontving meerdere signalen dat de initiatieven voor sociale veiligheid niet zichtbaar genoeg zijn voor promovendi.
Het welbevinden van promovendi verbeterde iets in de afgelopen jaren. In 2022 rapporteerde nog 16 procent van de promovendi dat het promotietraject hun welzijn verslechterde, in 2024 was dit 12 procent. Vooral zorgen over de uitloop van het promotietraject, waardoor problemen kunnen ontstaan met financiën en visa, en ervaringen van sociale onveiligheid had invloed op het welbevinden.
Het CPC pleit dus voor betere begeleiding om promovenditrajecten binnen de gegeven tijd af te ronden. En voor voldoende geld om ‘een menselijke levensstandaard’ mogelijk te maken voor promovendi in Amsterdam. Ook moet de klachtenprocedure aan de UvA voor sociaal ongewenst gedrag beter toegankelijk en zichtbaar zijn voor promovendi. Het CPC werkt samen met decanen, beleidsmedewerkers, de rector en de onderzoeksinstituten om die aanbevelingen door te voeren in beleid.