De afgelopen jaren was er regelmatig kritiek op het teruggavebeleid van door nazi’s geroofde kunstwerken. De Nederlandse Restitutiecommissie zou gebaat zijn bij een stevige wettelijke verankering, bepleit rechtsgeleerde Tabitha Oost, die vrijdag aan de UvA op het onderwerp promoveert.
Onlangs dook er weer een schilderij op van de Joods Amsterdamse kunsthandelaar Jacques Goudstikker in Argentinië. Het schilderij werd al sinds de Tweede Wereldoorlog vermist en kwam aan het licht omdat een makelaar de foto van het schilderij argeloos op het internet zette. Daarmee is het schilderij nog niet in handen van de voormalige eigenaren: het is eerder het begin van een lang en slepend rechtsproces.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog roofden de nazi’s naar schatting 5 miljoen kunstwerken, een vijfde van alle kunstschatten ter wereld. 80 procent van de door nazi’s geroofde Nederlandse kunst viel na de oorlog ten deel aan de Nederlandse staat. Toch is een groot deel van die kunst nog altijd niet in handen van de voormalige eigenaren of hun erfgenamen.
Tabitha, hoe komt het dat een groot deel van de geroofde nazikunst nog steeds niet terecht is?
‘Het ligt iets genuanceerder, verschillende Europese landen werden direct na de Tweede Wereldoorlog al gerestitueerd, maar inderdaad zeker niet alles. Al tijdens de Tweede Wereldoorlog werd duidelijk dat er op grote schaal kunst werd geroofd; in 1943 werd er een verklaring opgesteld die als basis diende voor de restitutie vlak na de oorlog. Daar zaten wel een aantal haken en ogen aan. De naoorlogse systemen van rechtsherstel maakten bijvoorbeeld geen uitzondering voor Joden en andere groepen die slachtoffer waren van systematische vervolging.
‘Daarnaast verliep de termijn om kunstwerken terug te vorderen al in 1951. Veel kunst was eigendom van Joodse families, maar erfgenamen wisten vaak niet dat er iets gestolen was omdat familieleden waren omgekomen en eigendomsbewijzen ontbraken. Daarnaast vroeg de Nederlandse overheid ook nog eens een kleine bijdrage voor administratiekosten. Veel kunst bleef dus in het depot of werd zelfs verkocht.
‘Pas eind jaren negentig groeide het bewustzijn over het lot van de Joden en andere vervolgde groepen en de implicaties daarvan voor de restitutie van roofkunst. Toen kwam het besef: bij groot onrecht moet er meer aandacht zijn voor de positie van het slachtoffer, ongeacht of het recht het wel of niet toestaat. In 2001 werd uiteindelijk de Nederlandse Restitutiecommissie opgericht, een onafhankelijke groep deskundigen die op een laagdrempelige manier de onopgeloste claims aan moest pakken.’
En is daarvoor ook de wet gewijzigd?
‘Nee, Nederland koos voor een beleidsmatige aanpak. Wanneer de Restitutiecommissie teruggave adviseert, dan wordt het kunstwerk in beginsel teruggeven. Maar dat kun je niet afdwingen via het recht.’
In je proefschrift beschrijf je dat de verschuiving van de juridische benadering naar de morele benadering in naziroofkunst ook een keerzijde heeft. Welke?
‘Dat noem ik de paradigmawisseling in de omgang met naziroofkunst: van een strikt juridische naar een meer slachtoffergerichte benadering. Die ontwikkeling geldt niet alleen voor Nederland, maar voor heel Europa. Deze verschuiving maakt deel uit van een bredere ontwikkeling in het recht. Ze is ook zichtbaar in de kwestie rondom koloniale roofkunst, en in de nasleep van de Toeslagenaffaire waar de Stichting Gelijkwaardig Herstel ontstond uit frustratie over de strikt juridische en trage aanpak door de Belastingdienst zelf.
‘Terug naar die restitutiecommissies; de keerzijde is dat door die paradigmawisseling het functioneren van de restitutiecommissies onder druk is komen te staan. De commissie bevindt zich in een constante spagaat: ze moet laagdrempelig en flexibel zijn, waardoor ze op institutioneel vlak kwetsbaar is geworden.’
En welke gevolgen heeft dat?
‘Er is nooit goed nagedacht over het doel: gaat het om het afhandelen van losse eindjes van het naoorlogse rechtsherstel of om het werkelijk oplossen van historisch onrecht? De Nederlandse Restitutiecommissie werd oorspronkelijk voor vijf jaar ingesteld, maar al snel bleek dat onvoldoende. Over een lange termijn is nooit nagedacht. De dossiers werden bovendien steeds complexer, waardoor ook het werk van de commissie moeilijker werd. De eerste afwijzingen van verzoeken tot restitutie volgden en dat leidde al snel tot kritiek.’
‘Wat ook onduidelijkheid veroorzaakte was de dubbele taakstelling van de Restitutiecommissie. In eerste instantie ging de commissie alleen over de Nederlands Kunstbezit-collectie (NK-collectie), de collectie van kunstwerken die na de Tweede Wereldoorlog aan de Nederlandse staat zijn toegevallen. Vanaf 2005 moest de commissie ook kunst in handen van bijvoorbeeld gemeenten en musea gaan beoordelen. Daarbij was ander beleid van toepassing waarbij het belang van het behoud van het werk voor de huidige eigenaar en het publieke belang bij het behoud van het werk werden meegewogen.
‘Dat leverde scheve situaties op waarbij claimanten op basis van dezelfde bewijzen een werk uit de NK-collectie wel terugkregen en een ander werk in handen van een gemeente niet.
‘Een aantal claimanten kregen door dit soort voorvallen steeds meer vraagtekens. De procedure van de Restitutiecommissie werd als onduidelijk ervaren, en de commissie zelf bestond bovendien lange tijd grotendeels uit dezelfde mensen. Daardoor werd de commissie kwetsbaar en kon zij zich niet goed wapenen tegen kritiek, bijvoorbeeld op het gebied van vermeende partijdigheid.’
Wat is jouw advies?
‘Als je deze commissies echt een rol wil laten spelen in die erkenning van historisch onrecht, dan moet de commissie daarvoor een juridisch kader hebben. Er zou een wet moeten komen die het doel van de commissie vastlegt: het erkennen van historisch onrecht. Ook moet de rol van zo’n commissie helder worden omschreven — wat zij wel en niet kan doen. Ten slotte is een duidelijke procedure, waarin de behandeling van een claim stap voor stap wordt beschreven van groot belang.
‘Op inhoudelijk vlak – bijvoorbeeld over de vraag of een kunstobject nu wel of niet vrijwillig is verloren – moet je in mijn optiek juist geen extra regels gaan creëren, om het slachtofferperspectief de ruimte te kunnen geven. Maar om de commissies weerbaar te maken, moet het institutioneel goed geregeld zijn.’
Tabitha Oost promoveert op vrijdag 17 oktober om 14.00 uur op haar proefschrift The art of restitution: pursuing justice through restitution committee for Nazi-looted art. De verdediging vindt plaats in de Aula (Oude Lutherse kerk).