Hoogleraar muziekcognitie Henkjan Honing gaat komend voorjaar met emeritaat en dat werpt zijn schaduw vooruit. ‘In deze tijd waarin we – terecht – veel aandacht besteden aan inclusiviteit en diversiteit, valt het mij op dat de UvA aanzienlijk minder oog heeft voor senioriteit.’
Afgelopen voorjaar vroeg ik aan de afdeling HR van de UvA – enigszins op tijd, dacht ik zelf – hoe mijn positie eruit zou zien na mijn emeritaat, volgend jaar mei. Het antwoord van HR was vriendelijk en efficiënt: mijn e-mail zou nog negentig dagen blijven werken, net als mijn webpagina op de UvA-site. Maar op de dag dat ik 67 word, zo stond er droogjes bij, vervalt alle toegang tot de administratieve systemen. Projecten die zich niet aan die biologische grens houden en simpelweg doorgaan, moest ik maar ‘delegeren’. Het voelde alsof ik op een automatische schuifdeur afliep die net voor m’n neus dichtgaat.
Inclusiviteit
In deze tijd waarin we – terecht – veel aandacht besteden aan inclusiviteit en diversiteit, valt het mij op dat de UvA aanzienlijk minder oog heeft voor senioriteit. Juist nu we streven naar een brede en open academische gemeenschap, lijkt deze vorm van diversiteit – die te maken heeft met ervaring, institutioneel geheugen en langdurige betrokkenheid – nauwelijks te worden meegewogen. Binnen het Institute for Language, Logic and Computation (ILLC) zet ik mij al geruime tijd in om de rol van emeriti te versterken, onder meer met het idee van een ‘hooglerarenhangplek’, een plek waar ervaren collega’s op verschillende manieren kunnen blijven bijdragen.
Weinig collegiaal
Tegen die achtergrond oogt het abrupt beëindigen van een e-mailaccount en het verwijderen van een persoonlijke webpagina als een weinig collegiaal signaal. Voor degenen die willen blijven schrijven, organiseren of deelnemen aan lopende projecten, is het bovendien praktisch gezien uiterst onhandig om van de ene op de andere dag digitaal onvindbaar te worden – nog los van het feit dat zonder toegang tot systemen ook het aanvragen of afronden van onderzoeksfondsen onmogelijk wordt. Op dit punt ligt, naar mijn overtuiging, ruimte voor verbetering.
Volgens mij kan zo’n ‘hangplek’ een waardevolle bijdrage leveren aan het academische ecosysteem. Geen parkeerplaats voor senioren, maar een betekenisvolle ontmoetingsplek, waar studenten spontaan kunnen binnenlopen, promovendi vragen kunnen stellen en jonge stafleden advies kunnen inwinnen.
Levend geheugen
Het ontbreken van dergelijke faciliteiten is een gemiste kans. Universiteiten functioneren bij de gratie van lange lijnen: onderzoeksprogramma’s die decennia beslaan, internationale netwerken die zich langzaam ontwikkelen, promovendi die uitgroeien tot collega’s, en theoretische ideeën die jaren – soms decennia – nodig hebben om te rijpen. Senior-onderzoekers vormen vaak het levende geheugen van dit geheel. Zij weten waar bepaalde keuzes vandaan komen, waarom bepaalde richtingen zijn ingeslagen, welke valkuilen eerder zijn onderkend en wat de rode draden door de instituutsgeschiedenis heen zijn.
Binnen het ILLC is de waarde van senioriteit overigens goed zichtbaar. De oprichters zijn er nog steeds actief betrokken. Zij geven formeel geen onderwijs meer, maar leiden werkgroepen, nemen deel aan colloquia, zijn betrokken bij promoties en vormen – soms bijna ongemerkt – de ruggengraat van het intellectuele debat. Het roept de vraag op waarom de universiteit als geheel dat potentieel niet consequent benut.
Een eenvoudige, doch geestelijk voedzame ruimte zou al veel kunnen betekenen. Een hangplek waar gesprekken op een natuurlijke manier ontstaan; waar studenten niet terugschrikken voor titels of leeftijd, maar juist nieuwsgierig worden. Waar iemand als Johan van Benthem of Martin Stokhof – beiden voorbeelden van intellect dat geen houdbaarheidsdatum kent – even binnenloopt, een kop koffie pakt en terloops een opmerking maakt die een jonge onderzoeker duurzaam op weg helpt.
Academische geschiedenis
Zo’n voorziening zou bovendien een krachtig signaal afgeven: dat de universiteit niet uitsluitend bouwt aan de toekomst, maar ook haar academische geschiedenis erkent en waardeert. Een vorm van inclusiviteit die niet ophoudt bij de pensioengrens, en een gemeenschap waarin je niet uit het systeem valt zodra men niet langer in de administratieve kaders past.
Senioriteit afsnijden onder het mom van efficiëntie is geen beleid; ruimte maken voor de volgende generatie wél. Maar laten we daarbij niet het academisch geheugen buitenspel zetten. Een universiteit die haar verleden negeert, verliest richting voor de toekomst.