Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
Afscheid rector Peter-Paul Verbeek:  ‘De kunst is om rustig koers te houden’
Foto: Sara Kerklaan
actueel

Afscheid rector Peter-Paul Verbeek: ‘De kunst is om rustig koers te houden’

Daniël Hemmer Daniël Hemmer,
24 augustus 2026 - 07:30

Na vier turbulente jaren als rector magnificus neemt Peter-Paul Verbeek volgende week afscheid van de UvA voor zijn overstap naar de KNAW. Hij blikt terug op een periode die werd gekenmerkt door heftige studentenprotesten, wisselingen in het bestuur en de zoektocht naar een nieuwe maatschappelijke koers.

Na vier bewogen jaren zit het erop voor Peter-Paul Verbeek. Volgende week neemt de rector magnificus afscheid van de UvA. Zijn werkkamer op de zesde etage van het D-gebouw op de Roeterseilandcampus verruilt hij voor het monumentale Trippenhuis van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW), waar hij vanaf 1 september de rol van president op zich neemt.

 

Verbeek loodste de UvA door een uiterst roerige periode. Al in zijn eerste jaar kreeg hij te maken met verhitte discussies over de banden met de fossiele industrie en de affaire rond UvA-docent Laurens Buijs. Uiteindelijk was het met name de diepe verdeeldheid over de samenwerking met Israëlische universiteiten – en de daaropvolgende demonstraties en bezettingen in het voorjaar van 2024 – die een stempel op zijn rectoraat drukte. Het dwong de techniekfilosoof tot een rol die hij vooraf niet had voorzien: die van crisismanager in het oog van een landelijke storm.

 

Hoe kijkt u nu – ruim twee jaar later – terug op die demonstraties en bezettingen?

‘Ik herinner me dat vooral als een heel intense periode. Het was natuurlijk niet mals; de beelden waren ongelofelijk en deden denken aan oorlogstaferelen. Ik denk dat het voor veel mensen binnen de UvA, op allerlei manieren, een traumatische periode is geweest. Het was bovendien een tijd waarin we zagen dat de polarisatie die in de brede maatschappij leeft, heel direct de universiteit binnenkwam.’

Foto: Sara Kerklaan

Hoe was die tijd voor uzelf?

‘Nou, best pittig natuurlijk. Dat hoort bij de baan; als je gaat besturen, doe je dat niet om achterover te leunen. Ik heb ook altijd motivatie kunnen putten uit de gedachte dat het een historische tijd was. Maar het had uiteraard moeilijke kanten: in zo’n discussie worden momenten ook uit hun context gehaald. Dan gaat het al snel over “die woke universiteit” en “die slapjanus van een rector”. Je wordt direct meegezogen in de polarisatie. Het antwoord daarop moet niet zijn dat je daarin meegaat, maar juist dat je rustig koers houdt: ik sta voor mijn studenten, ik sta voor de universiteit, ik sta voor de samenleving. Dat hebben we geprobeerd.’

 

Tijdens de bezettingen vertelde u bij Nieuwsuur dat studenten en medewerkers, met wie u destijds onderhandelde, gemaskerd aan tafel zaten en dat u dus niet precies wist met wie u eigenlijk in gesprek was. Bij veel mensen zal dat beeld blijven hangen.

‘Voor mij laat dat moment precies zien hoe je met zo’n gepolariseerde situatie omgaat. Wat je in mijn rol op dat moment wil doen, is in gesprek blijven met je eigen studenten – mensen die niet voor niets een bezetting organiseren – en tegelijkertijd aan de maatschappij laten zien dat we onze universiteit op een verantwoorde manier leiden.’

 

‘In de nasleep zijn er, mede door de beeldvorming op sociale media, allerlei dingen gebeurd waardoor dat nogal werd platgeslagen. Want natuurlijk hebben we dat gesprek wel gevoerd, maar kort daarna volgde ook de ontruiming. Het was niet zo dat we dachten: “Laat ze maar lekker zitten.” Maar ik vond het wel heel belangrijk om uit te stralen dat ik de stem van die studenten wilde horen.’

‘Ik vond het belangrijk om uit te stralen dat ik de stem van de studenten wilde horen’

Zijn er dingen die u achteraf anders zou hebben aangepakt?

‘Ik vind het meest tekenend dat je over die tijd zelfs in de media soms twee tegengestelde verhalen in één nieuwsbericht ziet. Toen het nieuws naar buiten kwam dat ik naar de KNAW ga, stond in hetzelfde NRC-artikel dat ik onder vuur lag omdat ik in gesprek ging met gemaskerde demonstranten én dat adviesbureau Berenschot constateerde dat wij te weinig empathisch waren naar onze eigen studenten en medewerkers. Dat kan niet allebei waar zijn. Ik denk dat zoiets laat zien hoe moeilijk het is om die grote middengroepen te blijven aanspreken. Hadden we daar iets anders in moeten doen? Ik zou het niet weten.’

 

Is de UvA inmiddels helemaal hersteld van die turbulente periode?

‘We zijn er best goed uitgekomen, maar er zitten nog wel wonden. Tegelijkertijd hebben we er echt iets waardevols aan overgehouden: een heel fundamentele discussie over de manier waarop je die academische vrijheid kunt verbinden met academische verantwoordelijkheid. Zo hebben we inmiddels een ethisch kader van samenwerking met externe partijen opgesteld en hebben we samen met de medezeggenschap nieuwe huisregels gemaakt waarin we het demonstratierecht veel beter verankeren. We zijn gaan inzien dat we dit als een ethische kwestie moeten benaderen, niet als een politieke keuze. Als universiteit wil je je niet politiek opstellen, maar wel op een ethisch verantwoorde manier met je vrijheid omgaan.’

 

‘De belangrijkste les die we geleerd hebben, is dat het aan een enorm maatschappelijk geëngageerde universiteit zoals de UvA cruciaal is om ruimte te creëren voor dialoog. Als je heel erg voor je idealen staat, is het soms moeilijk om écht naar de ander te luisteren. De paradox van de wetenschap is dat je zoekt naar waarheid door juist te blijven twijfelen en vragen te stellen. Zodra je het debat dichtgooit omdat je denkt het absolute gelijk aan je zijde te hebben, gaat het mis.’

‘We willen studenten opleiden tot academisch gevormde mensen die een verantwoordelijke rol in de samenleving spelen’

Hoe vertaalt zich dat naar de collegebanken?

‘We leggen in onze nieuwe onderwijsvisie nu bijvoorbeeld de nadruk op wat we “academisch burgerschap” noemen. Dat hebben we gekoppeld aan de drie kernwaarden van de UvA: nieuwsgierigheid, betrokkenheid en eigenzinnigheid. Het gaat erom dat we studenten niet alleen opleiden tot onderzoeker, maar tot academisch gevormde mensen die een verantwoordelijke rol in de samenleving gaan spelen. Dat vergt het vermogen om op een academische manier met elkaar in gesprek te gaan: luisteren, openstaan voor andere perspectieven en niet simpelweg heel hard schreeuwen dat jij de enige bent die weet hoe het zit.’

 

Hoe staat de UvA er in bredere zin voor ten opzichte van uw komst vier jaar geleden?

‘We hebben natuurlijk stappen gezet. Vooral de nieuwe strategie laat wel zien dat we in een volgende ontwikkelingsfase van de universiteit zitten. Ik denk dat we bijvoorbeeld veel meer zijn gaan denken in termen van “één UvA”. Weliswaar met zeven autonome faculteiten, maar wel met de sterke gedachte: we zijn samen één universiteit.’

 

In die nieuwe strategie staat ook dat de UvA minder op zichzelf gericht moet worden. Hoe moeten we dat voor ons zien?

‘Actiever zoeken naar samenwerkingsrelaties, vooral. We hebben uitgebreid feedback opgehaald bij allerlei maatschappelijke partners en zusteruniversiteiten en die zeiden eigenlijk bijna allemaal hetzelfde: de UvA is heel erg naar binnen gekeerd. Arrogant. Dat is misschien de keerzijde van ons succes. We zijn bijvoorbeeld enorm goed in het binnenhalen van individuele subsidies. Maar als je meer op zoek gaat naar subsidies die je in een consortiumverband aanvraagt – in samenwerking met andere universiteiten uit andere landen – denk je meteen veel meer vanuit maatschappelijke vraagstukken waar je gezamenlijk aan bijdraagt.’

 

‘De maatschappij’ lijkt het toverwoord te zijn.

‘Dat vind ik zo belangrijk, omdat je merkt dat het vertrouwen of het draagvlak voor de wetenschap zoveel kleiner is geworden. We willen laten zien dat wij als universiteiten juist een cruciale rol spelen in de maatschappij en de democratie. Kijk alleen al naar Amsterdam: we zitten in een fantastische stad waar we nog veel meer mee kunnen samenwerken. Op allerlei gebieden: van energie en huisvesting tot leefbaarheid en gezondheid. Het is onze ambitie om aan de stad te laten zien waarom het belangrijk is dat wij er zijn. Om te tonen dat wij echt kunnen bijdragen en dat we er niet alleen maar voor de wetenschap zijn.’

Foto: Sara Kerklaan

U heeft in uw tijd hier nogal wat wisselingen meegemaakt in het College van Bestuur en bent tijdelijk ook als interim-collegevoorzitter geweest. Op een zeker moment leek het CvB alleen nog uit Peter en Paul te bestaan.

‘Nou, we hadden André Nollkaemper natuurlijk nog wel als een soort parttime interim-CvB-lid. Maar die tijd voelde zeker als iets heel bijzonders. Ik heb de UvA daardoor ook heel intens en goed leren kennen. Het voelde als een enorme verantwoordelijkheid om dit te mogen doen; om het vertrouwen te krijgen om basically in je eentje de hele UvA in je handen te hebben. Ik ben in die tijd heel goed voor mezelf gaan zorgen: ik ben meer gaan sporten en afvallen. Ik vind het heel mooi dat ik het heb mogen doen.’

 

Wat is er veranderd nu jullie de laatste maanden – na de komst van Vinod Subramaniam als nieuwe CvB-voorzitter – weer met zijn drieën zijn?

‘Op zijn eerste dag voelde ik wel ineens: oh, ik kan nu weer de volle tijd geven aan mijn rectorwerkzaamheden. Dan dringt de prijs van zo’n dubbelrol eigenlijk pas door. Ik heb de afgelopen maanden weer echt gevoeld hoe het is om rector te zijn. Dat is fijn, dat had ik wel gemist. Uiteindelijk ben ik daarvoor gekomen. Ik ben geen geboren CvB-voorzitter. Ik vond het oprecht leuk om te doen; ik heb het nooit met tegenzin gedaan. Maar ik had er niet op gesolliciteerd. Op het rectorsverhaal wel. Ik ben toch echt een wetenschapper die vanuit die wetenschappelijke passie is gaan besturen. Niet een bestuurder die het ook leuk vindt om op een universiteit te werken.’

 

Met welk gevoel trekt u straks de deur dicht?

‘Met weemoed. Ik ben al een hele tijd nostalgisch. Het was een lastige keuze om de UvA te verlaten voor de KNAW, maar toen deze trein voorbijreed, dacht ik: ik moet erop springen. Ik hoop de lessen die ik hier de afgelopen jaren zo intensief heb geleerd, in te kunnen zetten om op landelijk niveau het maatschappelijk draagvlak voor de wetenschap te herstellen. We moeten een nieuw, gezamenlijk verhaal gaan vertellen over wat de samenleving en de democratie aan de wetenschap hebben.’

website loading