De komende weken besteedt Folia in een speciaal papieren magazine aandacht aan het thema ‘democratie’. Antropoloog, activist en docent Martijn Dekker ziet op democratisch vlak nog ruimte voor verbetering aan de UvA. ‘Het voelt soms alsof de medezeggenschap iets is dat UvA moet hebben in plaats van wil hebben.’
Op de dag van de Maagdenhuisbezetting van 2015 plakte antropoloog Martijn Dekker een briefje op zijn deur: het college is verplaatst naar het Maagdenhuis. Als de studenten de les wilden volgen, konden ze daar naartoe komen. Ruim tien jaar later staat Dekker opnieuw op de barricaden. Ditmaal is hij aangesloten bij Dutch Scholars for Palestine, die willen dat hun universiteit de banden verbreekt met Israëlische instituties en instellingen. Na ruim twee jaar protesten besloot de UvA dat inderdaad uiteindelijk te doen.
In 2015 werd er tijdens de bezetting van het Maagdenhuis gestreden voor meer democratie aan de UvA. Vind je dat dit inmiddels goed is gewaarborgd?
(Denkt lang na): ‘Op papier wel. Er is inspraak, zowel vanuit de studenten als de staf, bijvoorbeeld. Maar als je kijkt naar de benoeming van de nieuwe voorzitter van het College van Bestuur (CvB), dat dit eigenlijk grotendeels los besloten wordt van de gemeenschap, vind ik het nog wel erg top-down. Het voelt soms alsof de medezeggenschap iets is dat de universiteit moet hebben in plaats van iets dat UvA wil hebben. Het is vaak: we horen wat jullie zeggen in plaats van er iets mee te doen.’
‘Toen de protesten in 2024 begonnen, ontstond er een crisissfeer en gingen de luiken op de UvA dicht. Het College van Bestuur ging samen met de communicatieafdelingen en de driehoek de koers bepalen. Ik merk toch een soort verbinding die ontbreekt tussen de bestuurlijke elite en de rest van de universiteit. Het bestuur praat vooral met andere bestuurders: de andere leden van het CvB van de UvA en andere universiteiten, en de minister. Je merkt bij het verantwoording afleggen en het nemen van beslissingen dat het een best in zichzelf gekeerde laag is.’
Je zou ook kunnen zeggen, het College van Bestuur is er voor álle studenten. Dus niet alleen voor de protesterende studenten en hun wensen.
‘Dat is een goed punt. Maar voor een democratie is alleen doen wat het volk wil niet genoeg. Wij als actievoerders hebben zo vaak aan de UvA gevraagd zich uit te spreken over wat er gebeurt in Gaza, maar we hoorden keer op keer dat het ‘politiek’ was en dat ze daar niet aan deden. Ik denk dat je als bestuurder soms moreel leiderschap kunt tonen – en dat dit in sommige gevallen zelfs moet.’
Daar zit ook het gevaar in dat studenten en medewerkers zich van je afkeren. Dat is best een gevaarlijke positie, voor een universiteit.
‘Ja, dat is in een democratie sowieso tricky. Je moet oog hebben voor minderheden, ook als je als bestuurder het niet helemaal met ze eens bent. Ik heb alsnog het gevoel dat de bestuurders de afgelopen tweeënhalf jaar meer bezig zijn geweest met beeldvorming en met gevoelens van mensen die pro-Israëlische standpunten innemen dan met de daadwerkelijke genocide in Gaza en de samenwerking van de UvA met medeplichtige instituten en bedrijven. Dan voelt het al snel populistisch.’
‘Ik heb altijd gezegd, als College van Bestuur kun je zo’n boycot prima uitleggen. We hebben hier op de UvA genoeg expertise in huis als het bijvoorbeeld gaat over internationaal recht of over de werking van boycots om uit te kunnen leggen waarom je als CvB deze keuze maakt. Daarom zijn we een universiteit. Maar men was op dat moment te huiverig voor de backlash, voor beschuldigingen van antisemitisme.’
Uiteindelijk besloot de UvA wel de samenwerkingen op te schorten en de uitwisselingen stop te zetten. Hoe kijk je daarop terug?
‘Het is een geheel van complexe gevoelens. Het is beter laat dan nooit, dat zeker. En het doel is bereikt. Een eerder besluit had natuurlijk de koers van de oorlog niet veranderd, zo realistisch zijn wij als actievoerders ook. Maar toch. Als één universiteit, en in dit geval nog een prominente universiteit ook, had besloten tot een boycot, had dat echt wel effect kunnen hebben. Israël zet zichzelf als merk neer als een kennisgeoriënteerde samenleving, die draait op technologie. Een academische boycot raakt ze precies op dat punt. En dat was natuurlijk ook ons doel als demonstranten.’
Hoe breng je je werk als wetenschapper in balans met je rol als activist?
‘Voor mij is het geven van onderwijs sowieso een groot doel van activisme. Want ik probeer een positieve verandering teweeg te brengen. En dat zit ook in het helpen van jonge mensen met uitzoeken wat ze willen en wat ze kunnen. Maar dat is een beetje een flauw antwoord. Studenten weten van mij dat ik praktijkervaring heb in de vakken die ik ook geef. Dat ik weet hoe het is om een actie te organiseren en om door een politielinie heen te breken, dat voegt wel iets toe.’
Het demonstratierecht staat politiek gezien onder druk. Schrikt dat je af als activist?
‘Ik schrik ervan, maar ik laat me er niet door tegenhouden. Ik word er alleen maar strijdbaarder van. Ik heb dezelfde kritiek die ook op het College van Bestuur heb: bestuurders, en dus ook politici, laten hun oren te veel hangen naar gevoelens die in de media worden geuit in plaats van naar argumenten op basis van feiten. Het wetenschappelijke onderzoeks- en datacentrum (WODC), het kennisinstituut voor de rechtsstaat, heeft gezegd dat het demonstratierecht is prima zoals het nu is. Er zitten genoeg elementen in voor de burgemeesters om orde te handhaven. Dus daar hoeft helemaal niet aan getornd te worden.’
‘Over het algemeen zijn er naast verkiezingen niet zoveel manieren om je stem te laten horen. Zoals Martin Luther King zei, “a riot is the language of the unheard”. Dus voor mensen die niet gehoord worden of zich niet gehoord voelen volstaat een keer in de zoveel tijd stemmen niet. Dan moet je op een andere manier je stem hoorbaar maken. En volgens mij is daarom het demonstratierecht zo belangrijk. Niet iedereen heeft het sociale, economische of culturele kapitaal om politieke beslissingen te kunnen beïnvloeden. Wat rest er dan nog? Op het Malieveld staan is de meest brave, geijkte manier om te demonstreren. En soms is dat niet meer genoeg. Dan komen de meer verstorende demonstraties. Een voorbeeld: elke donderdag zaten we hier op de UvA met een sit-in. Een vrij hoge bestuurder liep langs en zei later tegen mij dat het zo’n “mooie en waardige manier van demonstreren was”. Hij had geen idee dat we dit al zes maanden deden. Ik vertelde dat en zei: “Dit is waarom we soms kiezen voor een tandje meer. Anders ziet niemand ons. En dan kunnen wij, en onze boodschap, heel makkelijk genegeerd worden.”’
En wat als er schade bij dat ‘tandje meer’ komt kijken?
‘Heel eerlijk; moreel gezien vind ik daar niks van. Ik vind het vooral jammer dat het daar steeds over gaat. Dat is het eeuwige dilemma: je wilt verstoren, je wilt schuren. Maar hoe zorg je ervoor dat het niet alleen over het schuren gaat, maar ook over de boodschap? Het is moeilijk daar de juiste keuze in te vinden. Ik denk dat de beweging dat aan de UvA geprobeerd heeft. Dat ging de ene keer beter dan de andere.’
Vanaf 28 april ligt er weer een nieuwe Folia in paars-lila distributiebakken overal op de UvA. Dit gratis papieren magazine is vanaf dan op alle campussen gratis mee te nemen.