Op 1 april 2001 gaven vier homostellen elkaar in Amsterdam het jawoord. Het was een wereldprimeur. Maar voor Amsterdam voelde het wellicht als een logische stap: aan de UvA was een vakgroep homostudies al anderhalf decennium bezig met ‘de uitdoktering van de homoseksueel’. Deze academische pioniers maakten van Amsterdam een internationaal centrum voor homostudies en homo-emancipatie.
Het is 1984 wanneer de absolute aartsvader van het vakgebied, Gert Hekma, de vakgroep homostudies aan de UvA introduceert. Hoewel het een tijd is waarin Amsterdam kampt met homofoob geweld en het homohuwelijk nog weinig meer is dan verre toekomstmuziek, wordt aan de universiteit vooruitstrevend van start gegaan met, zoals Hekma het zelf noemde: ‘de uitdoktering van de homoseksueel’.
Bij de vakgroep, die was ondergebracht bij sociologie, maar tegelijkertijd interdisciplinair samenwerkte met wetenschappers uit vakgebieden als de letteren en geschiedenis, werd onder meer onderzoek gedaan naar de geschiedenis van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen in Nederland, de opkomst van de homoseksuele kroegcultuur en alle verschillende varianten van seksualiteit. Maar vooral stonden de populaire werkgroepen van Hekma en co erom bekend dat er in alle vrijheid seksuele verhalen en fantasieën konden worden gedeeld, waarbij niets te gek was.
‘Het was een tijd waarin er binnen allerlei verschillende wetenschapsgebieden studentenbewegingen opkwamen,’ zegt bijzonder hoogleraar gendergeschiedenis Geertje Mak over die beginperiode. ‘Vooral onder studenten en jonge wetenschappers was het enthousiasme over lesbische- en homostudies groot. Zij vonden elkaar daar.’
Kaders bevragen
In die omgeving, vol geldingsdrang en behoefte om alle burgerlijke normen en kaders te bevragen, was iets braafs als het huwelijk niet direct de eerste prioriteit. Toch zorgde die dwarsdenkende vakgroep er wel voor dat andere, minder uitgesproken homo’s en lesbiennes de mogelijkheid hadden om in de luwte geleidelijk verder te emanciperen, aldus Mak.
‘Vanuit homostudies was het helemaal geen dragende gedachte om door middel van het huwelijk zoveel mogelijk op heterostellen te willen lijken’, zegt de hoogleraar, die in 1988 zelf als onderzoeker bij de vakgroep betrokken raakte. ‘Maar dat de universiteit een plek was voor ontmoeting en academische discussies over dit thema, speelde wel mee in een bredere, maatschappelijke ontwikkeling die gaande was op het gebied van homo-emancipatie.’
Ze herinnert zich die jaren als een overgangsperiode. ‘Kort daarvoor was er nog nauwelijks belangstelling voor dit vakgebied, maar ineens ontstond er een soort snelkookpan en kregen mensen door dat het toch wel erg interessant was.’ Onder aanvoering van de UvA-vakgroep groeide Amsterdam in de jaren tachtig razendsnel uit tot centrale spil op het gebied van homostudies. ‘Er werd een gigantisch succes geboekt met twee internationaal vermaarde conferenties,’ aldus Mak. ‘Op dat moment was de UvA echt een internationaal knooppunt van spraakmakende lesbische- en homostudies.’
Ook hoogleraar sociologie Jan Willem Duyvendak herinnert zich de vakgroep waar hij in 1987 onderdeel van werd als een stimulerende omgeving. ‘Homostudies bestond op dat moment alleen aan de UvA, in Utrecht en in Nijmegen, dus dat was behoorlijk uniek in Nederland. Er verschenen boeken, congresverslagen en het wetenschappelijke tijdschrift Homologie.’
Seksuele moraal
Aan de UvA bleef oprichter Gert Hekma – die in 2022 overleed – al die jaren het absolute boegbeeld van homostudies, al schuwde hij ook taboes en controverse niet. Zo kwamen zijn opmerkingen over pedofielenclub Martijn hem op de nodige kritiek te staan. Over hem zegt Geertje Mak: ‘Hij was een vertegenwoordiger van een tijd waarin de seksuele moraal vrijer werd. Hij had een enorm netwerk, maar zijn uitgesproken libertijnse ideeën over seksualiteit leidden internationaal soms tot verwondering en boosheid.’
Dat er op de universiteit in die periode zulke radicale en grensverleggende ideeën over seksualiteit werden gebezigd, rekte de maatschappelijke kaders op, als het gaat om de acceptatie van de homogemeenschap, denkt Mak. ‘In de schaduw van dat soort wildere bewegingen, die de normen stevig aan de kaak stelden, konden andere mensen en organisaties makkelijker tolerantie vinden. Dat gaf bewegingen als het COC en de Gaykrant de mogelijkheid om wél volop voor de gelijkstelling van het huwelijk te pleiten.’
Gender & sexuality
Ondertussen evolueerde homostudies aan de UvA – onder aanvoering van de in opkomst zijnde lesbisch-feministische tak – zich halverwege de jaren negentig richting een steeds breder vakgebied. Uiteindelijk zou de oorspronkelijke naam verdwijnen, en de vakgroep opgaan in het omvangrijkere gender & sexuality. De laatste stap in dat samenvoegingsproces was de introductie van het Amsterdam Research Centre for Gender and Sexuality in 2010.
Bij de oprichting van dat centrum was Jan Willem Duyvendak een drijvende kracht. ‘Analyses van seksualiteit gingen eigenlijk altijd al over gender,’ stelt hij. ‘Die twee onderwerpen waren thematisch nooit écht helemaal van elkaar gescheiden, dus was het logisch om ze bij elkaar te voegen.’ Ook volgens cultureel antropoloog Marie-Louise Janssen, als docent al jaren nauw betrokken bij de nieuwe invulling van het vakgebied, was de overgang van homostudies naar gender & sexuality een inhoudelijk logische keuze. ‘In de samenleving ging het belang van gender een steeds grotere rol spelen, de vakgroep bewoog daarin mee.’
Zo werd het sterk ideologische en ongeremde karakter waarmee homostudies ooit begon door de jaren heen wel wat bijgesteld. ‘De beweging was altijd van de utopische vergezichten en radicale ideeën,’ zegt Mak, ‘dus het homohuwelijk was eigenlijk nooit het ideaal. Toen dat er toch kwam, werd dat gezien als een pragmatisch soort emancipatie. Toch hebben veel wetenschappers uit die tijd, na een periode vol wilde haren, later wel van de mogelijkheid gebruik gemaakt, toen het eenmaal kon.’
Over hoe het vakgebied zich vandaag de dag verhoudt tot de ideologische beginjaren, zegt docent Janssen het volgende: ‘We doen nog steeds veel onderzoek naar de diversiteit die binnen seksualiteit bestaat, en er bestaan aan de UvA meer dan genoeg seks-positieve vakken, maar je ziet wel dat seks in algemene zin nog te vaak voornamelijk wordt geproblematiseerd. Daarbij wordt de plezierige kant wel eens uit het oog verloren.’