De 26ste Kohnstammlezing werd vanmiddag gehouden door José van Dijck, hoogleraar media en digitale samenleving aan de Universiteit Utrecht. In haar betoog waarschuwt ze voor de gevaren van de groeiende macht van Big Tech in het onderwijs: ‘Onderwijsinstellingen moeten waken voor hun autonomie.’
Een ‘schromelijk tekort aan hulpmiddelen waar het onderwijs over kan beschikken’. Daarover klaagde natuurkundige, filosoof en pedagoog Philip Kohnstamm in 1940. Een kleine eeuw later staat de 26ste editie van de jaarlijkse lezing die naar hem vernoemd is juist in het teken van het tegenovergestelde probleem. Zoals spreker José van Dijck het vrijdag in de Aula van de UvA verwoordt: ‘Het onderwijs lijkt inmiddels overspoeld te worden door informatie- en communicatietechnologieën.’
Van Dijck heeft het dan over allerlei soorten ‘hulpmiddelen’: Google Classroom, online leerlingvolgsystemen, learning managementsystemen en – een van de meest recente ontwikkelingen – generatieve AI zoals ChatGPT en Copilot. ‘Digitale technologieën zijn doorgedrongen tot in de haarvaten van onze samenleving, en drukken een steeds zwaarder stempel op de onderwijssector. Hardware en software, geproduceerd door grote bedrijven met enorme economische belangen, dicteren in toenemende mate de pedagogische en didactische methoden van scholen en de gewoonten van studenten.’
Verbod op AI
De hoogleraar van de Universiteit Utrecht opent haar lezing met de hartenkreet van de veertienjarige Charlotte. De scholiere gruwelt van de ‘nietszeggende speeches’ en ‘vlakke Sinterklaasgedichten’ die haar klasgenoten tegenwoordig met één druk op de knop uit ChatGPT persen. In een ingezonden brief in NRC kwam zij met een radicaal voorstel: verbied AI voor iedereen onder de achttien jaar, zodat jongeren weer zelfstandig leren nadenken.
Die wens is ‘heel begrijpelijk’, volgens Van Dijck, vooral vanuit een verlangen naar individuele autonomie. Heel realistisch is het echter niet: ‘Je kunt AI-bots wel uit de klas weghouden, maar leerlingen zullen ook buiten de school digitaal weerbaar moeten zijn. En die weerbaarheid aanleren is óók de verantwoordelijkheid van de school.’ Daarom richt ze zich op een andere vraag: hoe kunnen leerlingen, leraren en scholen digitaal autonoom blijven in het tijdperk van kunstmatige intelligentie en Big Tech?
Autonomie
Daarbij onderscheidt Van Dijck verschillende niveaus van autonomie die door de opmars van Big Tech onder druk zijn komen te staan. Allereerst waarschuwt ze voor de erosie van de individuele autonomie van leerlingen: hun vermogen om zelfstandig informatie te wegen en kennis te verwerken. ‘Dat proces draait niet zozeer om het afleveren van goede producten, maar om het leren zelf: het gaat om fouten maken, opnieuw doen, beter denken, beter schrijven.’ Wanneer een chatbot het denkwerk overneemt, verdwijnt de essentie van het onderwijs: het vallen en opstaan.
José van Dijck (1960) is hoogleraar media en digitale samenleving aan de Universiteit Utrecht. Ze doet onderzoek naar sociale media, de impact van mediatechnologieën en techbedrijven op de digitale cultuur.
Van Dijck was tussen 2015 en 2018 president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW). In 2021 ontving ze de prestigieuze Spinoza-prijs van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Tussen 2001 en 2016 was Van Dijck hoogleraar vergelijkende mediawetenschappen aan de UvA.
Ook de professionele autonomie van de leraar staat volgens Van Dijck op het spel. Als algoritmes steeds meer bepalen hoe leerlingen vorderen of zelfs het nakijkwerk overnemen, dreigt de expertise van de docent te worden gereduceerd tot het managen van een machine. Ze citeert een leraar die tegenover De Correspondent verzuchtte dat docenten tegenwoordig in een ‘fucked up situatie’ zitten: ‘We denken dat we de kwaliteit van een product aan het beoordelen zijn, maar eigenlijk beoordelen we hoe goed iemand overweg kan met AI.’
Push vanuit de industrie
Bovendien lijkt niet alleen de leraar, maar de school als geheel de regie te verliezen ten opzichte van Big Tech, waarschuwt Van Dijck. ‘Scholen hebben te maken met een push vanuit bedrijven uit de tech-industrie om “hun” software zo snel mogelijk in te zetten. De AI-gedreven software van Microsoft en Google wordt razendsnel ingebouwd in de platformsystemen waarop de school draait en worden daarmee onontkoombaar.’
Dat brengt risico’s met zich mee: ‘Ik hoorde een docent informatica in het mbo laatst opmerken dat hij het idee had dat zijn studenten steeds meer opgeleid werden tot Microsoft-servicemonteur.’ Volgens Van Dijck is het cruciaal dat scholen niet te veel meebuigen met techbedrijven die belang hebben bij het propageren van hun eigen hardware en software. Immers: ‘Als tools eenmaal zijn ingebouwd in de diepste lagen van de digitale ecosystemen, hoe autonoom kun je dan nog zijn?’
Zelf keuzes maken
Dat brengt Van Dijck bij het aspect van infrastructurele autonomie, een thema dat haar nauw aan het hart ligt en waarover ze onlangs nog een open brief aan universitaire bestuurders verstuurde. Het draait hierbij om de fundamentele vraag wie de digitale systemen beheert waarop ons onderzoek en onderwijs draait. Van Dijck wijst erop dat bedrijven als OpenAI in de Verenigde Staten al contracten afsluiten met hele campussen om hun systemen uit te rollen onder studenten.
Die ontwikkeling staat volgens de hoogleraar haaks op de publieke missie van de universiteit. Ze pleit daarom voor het herstel van het ‘vermogen van instellingen voor onderwijs en onderzoek om zelf keuzes te maken in het digitale domein’. In de praktijk betekent dit dat universiteiten weer de volledige zeggenschap opeisen over hun eigen systemen en controle houden over ‘waar dat ligt opgeslagen en wie er toegang toe heeft tegen welke kosten’. Initiatieven zoals GPT-NL (een Nederlands AI-taalmodel) of de UvA AI Chat zijn daarbij volgens haar dan ook de eerste ‘kleine stapjes op weg naar het grotere ideaal van een onafhankelijke digitale infrastructuur’.
Uiteindelijk brengt Van Dijck de discussie terug naar de essentie van het onderwijs. Waar Kohnstamm in 1940 nog hunkerde naar meer hulpmiddelen, waarschuwt zij dat we in 2026 wellicht de verkeerde schaarste bestrijden. Het probleem is niet langer een gebrek aan tools of informatie, maar het verlies van focus: ‘Wat schaars wordt, zijn menselijke geesten die geconcentreerde aandacht kunnen schenken. Dus laten we vooral daarin investeren: kritische denkers en bevlogen docenten.’