De binnenstad van Amsterdam staat bol van de geschiedenis. Met haar stadswandelingen in pocketformaat wil historicus en UvA-alumnus Roos Hamelink die verhalen onder de aandacht brengen bij een jong publiek. Folia wandelde mee langs vijf hoogtepunten.
Vanaf de ingang van de Oudemanhuispoort, aan de Oudezijds Achterburgwal kijken drie figuren neer op de voetgangers op straat. Van links naar rechts beelden ze armoede, mildheid en ouderdom uit. In 1602 was dit het Oude Mannen en Vrouwen Gasthuis, in de volksmond ook wel ‘paleis voor armelui’ genoemd, vertelt historicus Roos Hamelink. ‘Er golden strenge regels: als je klaagde over het eten werd je zes weken verbannen.’ Op het menu stond brood met boter of kaas, ’s middags vlees met groente en rijst, soms vis of konijn en ‘s avonds rijstebrij of gort. Fruit was er alleen in de vorm van gekookte appels en peren. ‘Oftewel; een zachte keuken voor mensen zonder tanden.’
In januari 1632 opende de twee geleerden Gerardus Vossius en Casparus Barlaeus het Athenaeum Illustre, de voorloper van de UvA, in de Agnietenkapel. In de collegebanken zaten vooral koopmannen en hun zonen die zich, voordat de beurzen openden, twee uur onderdompelden in de filosofie. Pas in 1877 werd het Athenaeum een gemeentelijke universiteit: de Universiteit van Amsterdam (UvA). Omdat de UvA gefinancierd werd door de stad Amsterdam en de gemeenteraad de hoogleraren benoemde, heeft de universiteit altijd een uitgesproken Amsterdams karakter gehad: links, vrijzinnig en vooruitstrevend. Al voor de oorlog gaven socialisten, communisten en getrouwde vrouwen college aan de UvA en kon je er – als enige universiteit in Nederland – al in de jaren twintig economie studeren.
De Nes was ooit het middelpunt van het Amsterdamse uitgaansleven. Op de zolder van een vleeshal, een gevelsteen op de hoek van de Pieterspoortsteeg verwijst nog naar die tijd, zaten de rederijkerskamers, literaire poëzieclubs die theateravonden organiseerden. Gerbrand Bredero – uit het rijtje Nederlandse toneelschrijvers waar ook Vondel en P.C. Hooft tussen staan– woonde er om de hoek en testte hier zijn teksten op het publiek. ‘Dat theater was anders dan we het nu kennen,’ vertelt Hamelink. ‘Het publiek deed vaak mee in het spel, er werd gegeten, gedronken en gerookt in de zaal.’ Later ontstond vanuit de rederijkerskamers de eerste schouwburg van Amsterdam.
Op 15 maart in 1345 lag er een man op sterven in de Kalverstraat. Hij kreeg met zijn laatste communie een hostie toegediend die hij uitbraakte en die daarna op mysterieuze wijze maar niet wilde verdwijnen. Reden genoeg om de plek heilig te verklaren en er een kapel te bouwen. De Mirakelkolom op het Rokin herinnert aan de laatste Gotische kapel die in 1908 werd gesloopt. De plek werd een bedevaartsoort en op de zaterdag na 15 maart wordt er nog altijd de Stille Omgang gelopen om het ‘hostiewonder’ te herdenken. In de jaren ‘60 en ‘70 had die processie
ook een ander doel, ontdekte Hamelink. Mannen uit de omliggende dorpen glipten er tijdens de omgang op het Rokin stiekem tussenuit om de prostituees op de Wallen te bezoeken.
Verscholen achter de drukte van het Spui ligt het Begijnhof. De Begijnen legden net als nonnen een kuisheidsbelofte af maar mochten het Begijnhof wel verlaten als ze wilden trouwen. Wie het Begijnhof niet verliet was Cornelia Arens. Zij werd in 1621 geboren als dochter van steenrijke, katholieke ouders en groeide op in de tijd dat de protestanten de stad overnamen. De Begijnen behielden hun recht om begraven te worden in de nu protestante kerk in het hof, maar Cornelia wilde dat voor geen goud. ‘Nog liever word ik in de goot begraven dan in die ontheiligde kerk,’ zou ze gezegd hebben. Toch werd ze in de kerk begraven, waarna ze tot drie keer toe in de goot verscheen, is de legende, en daarom werd haar lichaam alsnog verplaatst.
Ontstaan van Amsterdam
Overal in de stad, op windvanen, kerken en gevelstenen, staat het koggeschip afgebeeld, soms met twee figuren erin en een hondje. ‘Leuker nog dan het tolprivilege, de reden waarom we 750 jaar Amsterdam dit jaar vieren, vind ik dit sprookje over het ontstaan van Amsterdam,’ zegt Hamelink. Het verhaal gaat dat in de 9de eeuw bisschop Coenraad van Utrecht Friesland in handen kreeg. Maar zijn ontmoeting met de stugge Friezen verloopt allesbehalve soepel: na een storm spoelt hij meer dood dan levend aan en wordt op een boot terug de zee op gestuurd. De jonge Friese visser Wolfger en zijn hondje weten hem te redden en varen met de bisschop terug naar Utrecht. Maar door de mist komen ze aan op een stuk moerasland, boven Utrecht. De bisschop geeft Wolfger als dank het land in bruikleen en voorspelt hem een glorieuze toekomst. De rest is geschiedenis.
Roos Hamelink (30) studeerde geschiedenis en neerlandistiek in Utrecht en volgde een master publieksgeschiedenis aan de UvA. Samen met studiegenoot Hannah Bakx begon ze het Instagramaccount Goeie Ouwe Koeien, om geschiedenis aansprekend te maken voor een jong publiek. Met het bedrijf Stourtje, een samentrekking van stads-tourtje, schrijft ze historische stadswandelingen voor wie nieuw is in de stad of de eigen stad wil (her)ontdekken. Na Rotterdam, Den Haag en Utrecht verschijnt in september A’dams Tourtje.