Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!
Foto: Stijn Nieuwendijk (cc, via Flickr)
opinie

‘Cohen heeft gelijk: de beleidsopleggers rukken almaar op’

Meindert Fennema,
20 februari 2020 - 07:16

Emeritus hoogleraar politieke theorie Meindert Fennema is het bijna in alles eens met Floris Cohen, die een nieuwe universiteit bepleit. ‘De oude decentraal georganiseerde universiteit heeft inmiddels plaats gemaakt voor een strakgeleide organisatie, waarin het politieke correcte denken met harde hand wordt opgelegd.’

Floris Cohen schetst de contouren van een betere universiteit, die hij brutaalweg ‘De ideale universiteit’ noemt. Zijn kritiek op de huidige universiteiten is dat zij te sterk gedreven worden door winstmaximalisatie (‘rendementsdenken’), dat het onderwijs en het onderzoek steeds meer los van elkaar komen te staan, dat door de invoering van het Engels als instructietaal het Nederlands dreigt te verdwijnen, en dat in de opleidingen academische vorming te weinig aan bod komt. Cohen zegt in zijn voorwoord dat het hem bij alle institutionele vernieuwing die hij voorstelt toch in de eerste plaats gaat om het herstel van een ‘waardegemeenschap’.

 

Ter illustratie citeert hij de afscheidsspeech van de secretaresse van de afdeling filosofie aan de Universiteit van Twente. Zij had heimwee naar de goeie oude tijd: ‘We kenden elkaar en elkaars familie, deelden lief en leed, ook buiten werktijd. Je kon zo bij de decaan naar binnen stappen. Filosofen schreven nog boeken in plaats van onderzoeksvoorstellen. We filosofeerden met z’n allen ook in de wandelgang en in de Spar.’ Gelooft u het? Cohen schrijft: ‘Het is me allicht bekend dat het niet overal zo toegaat [bedoeld wordt: toeging, MF.] als hier aangeduid.’ You can say that again!

‘Terwijl mijn huisgenoot zijn best deed om zich te weer te stellen tegen de radicale bevraging door zijn leermeester zag hij dat deze zijn hand in zijn broek liet glijden en onopvallend zijn lid beroerde’

Vroeger was niet alles beter

Nee! Vroeger was niet alles beter, ook al konden docenten toen hun eigen hobby horses op de studenten loslaten. Ik geef één voorbeeld.

Ik kreeg in 1966 inleiding in de filosofie van de katholieke theoloog Johannes Jacobus Louët Feisser. Hij sprak colleges lang over zijn stelling dat filosofie radicaal diende te zijn. Radicaal komt van radix, wortel in het latijn, en filosofen zoeken per definitie naar de wortels van ons denken. Het goede nieuws is dat ik dit na meer dan 54 jaar nog weet.

 

Maar wat is ook nog weet is dat Louët Feisser een huisgenoot van mij vroeg om het mondeling tentamen filosofie bij hem thuis af te leggen, op de Krullelaan in Zeist. Hij woonde daar alleen met een dienstbode die thee en port serveerde. Terwijl mijn huisgenoot zijn best deed om zich te weer te stellen tegen de radicale bevraging door zijn leermeester zag hij dat deze zijn hand in zijn broek liet glijden en onopvallend zijn lid beroerde. ‘Op zoek naar de wortel van zijn denken,’ schoot het door zijn hoofd. Dat was in de tijd dat men nog ‘lief en leed deelde’. 

 

De Republiek der Letteren

Maar laten we Cohen welwillend volgen en er van uitgaan dat hij de omgeving wil creëren waarin wetenschap gedijt; een omgeving door de verlichtingsfilosoof Condorcet beschreven als ‘De Republiek der Letteren’. Condorcet is – net als Cohen – op zoek naar een plaats waar persoonlijke rivaliteit niet bestaat omdat de wetenschap een roeping is waarvan men ‘geen andere voordelen kan verwachten dan de roem die men aan zijn talent te danken heeft en het plezier dat men put uit de geestelijke arbeid’.

‘Mijn beste docent was alcoholist en heeft de laatste 25 jaar van zijn academische loopbaan nooit meer iets geschreven’

Een radicale uitwerking daarvan beschreven Hugues Boekraad en Michel van Nieuwstadt in 1969 onder de titel ‘Aantekeningen over de Radenuniversiteit’. Hoe het op zijn ideale uinversiteit anno 2020 - toegaat schetst Cohen in een vlugschrift dat hij heeft rondgestuurd ter voorbereiding van een debat in De Rode Hoed op 20 februari:

 

Niet het kerncurriculum, maar inspiratie blijft bij

‘Als bachelorstudent doe je de basiskennis en de methodische grondslagen op van het vakgebied dat je hebt gekozen, verrijkt met uitvoerige, inspirerende demonstraties van hoe je hoogleraren in dat vakgebied zélf denken en te werk gaan. In het aanvullende master’s jaar krijg je een besef bijgebracht van de reikwijdte van de discipline waarin je wordt opgeleid: wat kan je er wel, wat kan je er niet mee? De hele rest, de feitelijke toepassing dus op een specifiek onderdeel van de opgedane kennis en bijgebrachte praktijk, doe je op de arbeidsmarkt zelf op (alleen in de studie geneeskunde kan een vervolgopleiding aan de universiteit zelf natuurlijk niet worden gemist).’

 

‘Een groot verschil tussen mijn voorstel en hoe het er nu aan toegaat,’ gaat Cohen verder, ‘zit hem in die colleges waarin hoogleraren jou als eerste- en tweedejaarsstudent laten meeproeven van hun specifieke onderzoekservaring— weinig afgestudeerden herinneren zich een jaar of wat later nog wat van het kerncurriculum, maar des te meer van de inspirerende manier waarop professor X haar publiek over haar eigen onderzoek aan haar lippen gekluisterd hield.’

‘Wat ik niet wil is nóg meer kluitjesvoetbal op het academische speelveld’

Ik heb dat inderdaad wel eens meegemaakt, onder andere bij mijn hooggeschatte promotor,  de wiskundige en politicoloog Rob Mokken, maar ook met 55 jaar ervaring aan de universiteiten van Utrecht en Amsterdam moet ik u zeggen dat zulke onderzoekers schaars waren en zijn. Mijn beste docent was alcoholist en heeft de laatste 25 jaar van zijn academische loopbaan nooit meer iets geschreven.

 

Onderzoek

Toch deel ik de opvatting dat het onderzoek en het onderwijs aan de universiteiten te vaak en te veel gescheiden zijn, en dat dat veroorzaakt wordt doordat een steeds groter deel van de onderzoekstijd en het onderzoeksbudget verdeeld wordt door instelling die buiten de universiteit staan: NWO.

 

Ik vind – net als Cohen – dat het onderzoeksbudget direct aan de universiteiten moet worden toegekend. Maar wel onder voorwaarde dat de universiteiten er niet toe overgaan op hun beurt de onderzoekscapaciteit toe te kennen op basis van een centraal universitair systeem. Anders kom je van de regen in de drup. Toekenning van onderzoekstijd en – geld via commissies versterkt de ideologische sturing van het onderzoek, zeker als die commissies ook nog democratisch worden samengesteld. Wat ik niet wil is nóg meer kluitjesvoetbal op het academische speelveld.

‘Het wetenschappelijk onderwijs is niet gebaat bij een nationalistisch reveil’

Academische vorming

Ook deel ik Cohens opvatting dat er meer tijd moet worden ingeruimd voor een bredere blik, voor ‘academische vorming’: die gaan niet over je eigen vakgebied en wordt gegeven door een aparte categorie docenten, afkomstig uit de faculteit Geesteswetenschappen. Die laatste eis vind ik opmerkelijk. Met evenveel recht zou men immers kunnen zeggen dat de academische vorming gegeven moet worden door docenten uit de sociale wetenschappen. Ik vermoed dat Cohen zijn werkloze collega’s aan een baantje wil helpen. Dat siert hem.

 

Daarom wil ik met Cohen mee gaan mits men de wiskunde ook als een geesteswetenschap beschouwt. Overigens: aan de Politiek Sociale Faculteit van de UvA werd het ideaal van Cohen al vanaf de Tweede Wereldoorlog in de praktijk gebracht. En ook nu nog krijgen studenten daar in het eerste jaar van hun bachelor opleiding een cursus ‘academische vorming’.

 

Engels

Cohens voorstel om het wetenschappelijk onderwijs weer in het Nederlands te doceren vind ik reactionair. De wetenschap heeft altijd behoefte gehad aan een lingua franca. Dat was tot in de 18e eeuw het Latijn. In de lange 19e eeuw – de eeuw van het nationalisme – streden het Italiaans, het Engels, het Frans en het Duits om de hegomonie. In de loop van de twintigste eeuw is Engels de academische wereldtaal geworden. Het wetenschappelijk onderwijs is niet gebaat bij een nationalistisch reveil.

Cohen ziet dat veel Nederlandse docenten het Engels niet voldoende beheersen op in die taal op academisch niveau onderwijs te kunnen geven. Dat klopt: tegenwoordig beheersen veel studenten het Engels beter dan hun Nederlandse docenten. Maar dat probleem lost zich vanzelf op. Bovendien hebben buitenlandse docenten en Nederlanders die in hun buitenland gestudeerd hebben meestal geen moeite met het Engels. Of wil Cohen een dam opwerpen tegen de toevloed van buitenlands docenten? Dat lijkt mij niet in het belang van de wetenschap.

 

Nog minder voel ik voor een ’contract om te slagen’. Dit contract bestaat overigens allang. Ik heb op het University College Utrecht, waar ik in 2018 een jaar werkte, gezien hoe dat ‘contract om te slagen’ in de praktijk uitpakt. Iedereen slaagt, behalve als je een burn-out krijgt door de druk die je door dat contract opgelegd wordt. Op de University Colleges werkt dit systeem misschien nog goed omdat zij hun studenten streng selecteren. Alleen de zeer gemotiveerde bollebozen worden daar toegelaten en die worden ook nog eens op incasseringsvermogen (‘resilience’) getoetst. Het zijn vaak kinderen van ouders met een academische opleiding. De druk op docenten om studenten te laten slagen is enorm, maar ook de druk op de studenten is nog groter. Met veel psychische klachten als gevolg.

Tot slot. Ik ben het eens met bijna alle kritiek van Floris Cohen op het functioneren van de huidige universiteiten. De voorbeelden die hij geeft zijn stuitend. De ‘ondersteunende staf’ (beleidsbedenkers en beleidsopleggers) rukt almaar op, niet alleen in macht en invloed, maar ook in aantal. De oude decentraal georganiseerde universiteit heeft inmiddels plaats gemaakt voor een strakgeleide organisatie, waarin het politieke correcte denken met harde hand wordt opgelegd.

 

In de institutionele voorstellen die Floris Cohen doet kan ik mij grotendeels vinden, maar de samenvoeging van wo en hbo gaat mij te ver. Hoe kun je in godsnaam pleiten voor kleinere en gedecentraliseerde universiteiten en tegelijkertijd een fusie van wo en hbo bepleiten?

 

Meindert Fennema is emeritus hoogleraar Politieke Theorie en verbonden aan de onderzoeksgroep Corpnet aan de Universiteit van Amsterdam.

Floris Cohen, De ideale universiteit. Ontwerp van een uitvoerbaar alternatief. Prometheus, 2020. 127 pagina’s, 15 euro.

Vanavond is er een debat over het boek in de Rode Hoed.

Lees meer over