De promotiebonus, het bedrag dat universiteiten krijgen voor elke promotie, werkt nog altijd als een perverse prikkel voor universiteiten om meer promotieposities te creëren. En dat is zorgelijk, stelt het Promovendi Netwerk Nederland (PNN), want de begeleiding blijft vaak achter. ‘Het is tijd om een gesprek te voeren over hoeveel promovendi een universiteit aankan.’
In 2024 werd Nederland – met een recordaantal promoties – 5.595 jonge doctors rijker. En dat is niet nieuw. Het aantal jaarlijkse promoties in Nederland is de afgelopen twintig jaar bijna verdubbeld. Ook afgelopen jaar zette die trend aan de UvA onverminderd door, bleek onlangs uit de cijfers. Een groei die mede wordt veroorzaakt door de promotiebonus, een financiële beloning van zo’n 80.000 euro van de overheid die universiteiten opstrijken per afgeronde promotie.
Volgens Martijn van der Meer, voorzitter van Promovendi Netwerk Nederland (PNN), is er onvoldoende nagedacht over de prikkelwerking van die bonus. ‘Het leidt tot een alsmaar stijgend aantal promovendi, terwijl de capaciteit van de begeleiding niet toeneemt. Dat vinden we een zorgelijke ontwikkeling.’ Hoog tijd om die bonus eens kritisch tegen het licht te houden, stelt het PNN in aanloop naar het commissiedebat op 11 maart in de Tweede Kamer over de onderwijsplannen van het nieuwe kabinet.
Concurrentie tussen universiteiten
Eerst wil Van der Meer een misvatting uit de weg helpen. ‘De term promotiebonus klopt eigenlijk niet. Het is niet zo dat universiteiten per promotie een “extra” geldbedrag krijgen van de overheid. Het werkt eerder als een verdeelsleutel voor de Rijksbijdrage voor onderzoek.’ Alle universiteiten krijgen namelijk gezamenlijk één grote zak geld van de overheid, de lumpsum. Een deel daarvan is geld voor onderzoek en een percentage daarvan wordt verdeeld over de universiteiten aan de hand van het aantal afgeronde promoties.
Het werkt dus wél zo dat universiteiten met meer promoties een groter aandeel van de Rijksbijdrage voor onderzoek krijgen. En dus ontstaat er een concurrentiepositie tussen universiteiten om zoveel mogelijk promovendiposities te creëren. Van der Meer: ‘Dat is onwenselijk, omdat de universiteit niet proportioneel meegroeit en de begeleiding vaak achterblijft. Ook zijn de werkzaamheden soms geschikter voor postdocs of andere werknemers van de universiteit. Nog los van het feit dat er op de universiteit simpelweg geen banen zijn voor het gros van de gepromoveerden.’
Volgens Van der Meer zou er een landelijke discussie moeten komen over de vraag of universiteiten de begeleiding van promovendi wel aan kunnen. ‘Dat verschilt natuurlijk per faculteit. In sommige disciplines staat de verhouding tussen het aantal promovendi en de beschikbare begeleidingscapaciteit structureel meer onder druk dan in andere.’
Volgens Van der Meer zijn er twee opties mogelijk. ‘Of je schaft de promotiebonus af, als blijkt dat groei niet wenselijk is, of je herziet hem.’ In dat laatste geval suggereert Van der Meer om het aantal promovendiplekken per universiteit af te stemmen op de hoeveelheid beschikbare FTE voor begeleiding. ‘Het is tijd om een gesprek te voeren over hoeveel promovendi een universiteit aankan.’
Gesteggel
Ook in het verleden was er regelmatig gesteggel over de promotiebonus. Vooral sinds 2009, het jaar dat onderwijsminister Plasterk de ‘promotiebonus’ verhoogde naar 90.000 euro per afgeronde promotie. Om te voorkomen dat de financiering van universiteiten te veel op promoties zou leunen, stelde onderwijsminister Jet Bussemaker in 2017 een plafond in op de Rijksbijdrage voor onderzoek. Voortaan zou maximaal 20 procent uitgegeven mogen worden aan promoties.
Waarom de promotiebonus er na al die jaren nog steeds is? ‘Omdat er niet genoeg over na is gedacht,’ zegt Van der Meer. ‘Het is kennelijk voor niemand urgent genoeg om er iets mee te doen. Maar niemand is blij met een prikkel om zoveel mogelijk promovendi op te leiden.’