Suzanne Biewinga promoveert op zeventigjarige leeftijd aan de UvA op haar onderzoek naar een nieuwe filosofie van ouder worden als ervaring. ‘Het vraagt moed om, in het besef van vergankelijkheid, te blijven zoeken naar betekenis van jouw leven voor jezelf en anderen.’
Na tot haar zevenenvijftigste voor onder meer een hospice en patiëntenorganisaties te hebben gewerkt, besloot Biewinga het over een andere boeg te gooien: ze begon aan een studie filosofie. Dit pad zou haar uiteindelijk leiden naar een proefschrift, waarin Biewinga onderzoek doet naar nieuwe, eenentwintigste-eeuwse antwoorden op de vraag wat het betekent om ouder te worden. De gangbare verhalen over jong willen blijven of in een zwart gat belanden waar vooral veel verlies wacht, volstaan volgens haar niet langer. In werkelijkheid ligt het proces van betekenisvol ouder worden een stuk genuanceerder, zo bleek tijdens haar zoektocht.
Hoe heeft u dit complexe vraagstuk aangevlogen?
‘Het begon in 2016 met een bericht in een huis-aan-huisblad, met daarin het idee om een aantal groepsgesprekken met ouderen te voeren over betekenisvol ouder worden. Totaal geen sexy onderwerp, dacht ik toen, maar het liep storm. Maatschappelijk bleek er dus wel wat aan de hand te zijn. Na de gesprekken liepen de deelnemers – voornamelijk zeventigers en tachtigers, maar ook een aantal zestigers – met een hoofd vol ideeën de deur uit. Daarom ben ik verslagen voor hen gaan schrijven. Vervolgens ontstond het idee om er een promotieonderzoek van te maken en een boek te publiceren. Naast de gesprekken ben ik in de literatuur gedoken. Ik heb het werk van hedendaagse denkers en wetenschappers gelezen, onderzoek gedaan naar de oudheid en de levenspraktijk van oude stoïcijnse en epicuristische filosofen in de Romeinse tijd geanalyseerd.’
Waarom vraagt juist deze tijd om een nieuwe kijk op ouder worden?
‘Mensen worden gemiddeld veel ouder, dat is in een korte tijd veranderd. Een eeuw geleden werden veel mensen nog maar vijftig, en nu worden we ouder dan tachtig. Daarnaast verandert de samenleving nu ontzettend snel, veel van wat je vroeger hebt meegemaakt is nu dus al ouderwets. Ook blijven we tegenwoordig medisch gezien zo lang in orde dat bijna alle ziektes en beperkingen die er vroeger van meet af aan waren, nu ineen worden gepropt vanaf je zeventigste. Ouder worden is dus een stoomcursus in verlies, omdat je een groot deel van je volwassen leven in schijnbare onkwetsbaarheid hebt geleefd. Ineens worden mensen om je heen ziek en gaan ze dood. Jijzelf bent daarvan natuurlijk niet vrijgesteld. Ook stoppen met werken is enorm ontregelend. Je hebt alle vrijheid maar geen enkele sociale structuur meer. Voor mijn onderzoek heb ik vooral dat culturele aspect van ouder worden bekeken.’
U schrijft dat de geijkte verhalen over ouder worden niet meer kloppen, welke verhalen zijn dat?
‘Dat zijn er twee. Volgens het ene verhaal moet je zien jong, fit en vitaal te blijven, overal bij betrokken zijn. Dat klinkt prachtig, maar wanneer je ouder wordt ben je van alles, maar nou juist niet jong. Dit verhaal ontkent dus wat er met je aan de hand is. Het tweede verhaal, wanneer jong blijven niet meer lukt, is het verhaal van ellende, dood, kommer en kwel. Je kunt er eigenlijk net zo goed niet meer zijn. Ook dat verhaal is te eenzijdig.’
‘Beide verhalen bevatten een kern van waarheid, maar zijn gewoon veel te simpel. Ouder worden is veel rijker en avontuurlijk, veel ongewisser dan die twee verhalen. Het zijn achterhaalde ideeën, die in stand blijven doordat jong en oud elkaar buiten de familiesfeer nog maar nauwelijks tegenkomen.’
Biewinga bewerkte haar proefschrift tot een publieksversie die als boek te koop is onder de titel ‘Ouder worden als ervaring, filosofie van het late leven’. Het boek verschijnt op 10 februari en is verkrijgbaar bij uitgeverij Boom.
Hoe moeten we dan wel naar ouder worden kijken?
‘De kortste samenvatting is dat ouder worden een onbekend gebied is. Als oudere ben je dus een soort ontdekkingsreiziger, en dus heb je ook de karaktereigenschappen van een ontdekkingsreiziger nodig. Je moet moedig zijn, en nieuwsgierig. Er rekening mee houden dat je de prachtigste dingen kunt tegenkomen, maar ook dingen die enorm confronterend en zwaar zijn. Je hebt een hoop levenservaring nodig om daarmee om te gaan. En anderen die jou als medemens erkennen en je een plek gunnen.’
Hoe verhoudt uw onderzoek zich tot eerdere werken van filosofen?
‘Door de eeuwen heen is er maar heel weinig geschreven over ouder worden. Filosofen schreven over het leven en de dood, maar ouder worden was nooit eerder zo’n issue. Het gebeurde nooit zo massaal als nu, bovendien werkten mensen noodgedwongen meestal gewoon door tot ze erbij neer vielen. Wel speelden ouderen in de geschiedenis een belangrijke rol door de kennis die ze met de jaren hadden vergaard. Zeker voordat er geschreven teksten waren, was hun geheugen cruciaal. Het idee dat oudere mensen wijsheid verwerven in de loop van hun leven, dat bestaat nu gelukkig nog steeds. Dat zou je kunnen zien als een soort constante door de geschiedenis’
‘Ook het idee van de Platoonse waarden - dat het in het leven gaat om het goede, het ware en het schone - is zó universeel. Op de een of andere manier geldt dat nog steeds, ook al vullen we het misschien anders in. Maar er zou wat mij betreft een vierde waarde aan toegevoegd moeten worden, die van de persoonlijke waardigheid. Dat ouderen de erkenning van hun persoonlijke waardigheid keihard nodig hebben kwam ik in alle gesprekken tegen. Zonder gevoel van eigenwaarde ben je nergens, maar niemand kan dat volledig uit zichzelf halen. Je hebt altijd waardering van andere mensen nodig, anders houd je het niet vol.’
Is dat de belangrijkste conclusie uit het onderzoek?
‘Ja, je moet het zelfvertrouwen hebben dat je, ook als oudere, er net zoveel toe doet als ieder ander mens. Blijf nieuwsgierig en gebruik je levenservaring om te leren aanvaarden dat je van alles zal gaan verliezen, inclusief jezelf. Ons wordt geleerd dat burgers competent en onafhankelijk zijn, maar iedereen is per definitie afhankelijk van anderen, op welke leeftijd dan ook. Alleen in interactie met elkaar krijgt de wereld betekenis. We zijn verlangende, belichaamde, sociale en eindige wezens, en we bewegen allemaal in de tijd.’