Voordat het laptopverbod bij Interdisciplinaire Sociale Wetenschappen werd ingevoerd, hadden studenten op zijn minst inspraak moeten krijgen, vindt student Emma Shi. ‘Door studenten aan een paternalistisch verbod te onderwerpen, laat de opleiding zien dat zij er weinig vertrouwen in heeft dat studenten op een verantwoorde manier met schermgebruik tijdens colleges kunnen omgaan.’
Hoewel de digitalisering van het onderwijs altijd voor- en nadelen heeft gehad, roept het algehele verbod op digitale apparaten tijdens alle colleges van ISW aan de UvA vragen op. De kernvraag is of studenten zelf de vrijheid moeten hebben om te bepalen hoe zij het beste leren, en wie het universiteitsbeleid bepaalt. De democratisering van de universiteit heeft al lange tijd geleid tot discussies tussen studentenactivisten en het College van Bestuur. Het besluit om digitale apparaten te verbieden, weerspiegelt deze structurele problematiek.
Gebrek aan transparantie
Het verbod kwam niet uit het niets. Veel docenten, ook buiten ISW, hadden het gebruik van digitale apparaten tijdens colleges al verboden om de concentratie te bevorderen. Volgens docent Bram Mellink was de reactie hierop overwegend positief. Hij erkent echter dat sommige studenten het verbod vervelend vinden. Ook in de berichtgeving van de NOS kwam het standpunt van een student naar voren dat studenten de vrijheid zouden moeten hebben om zelf te kiezen, aangezien zij ook zelf verantwoordelijk zijn voor hun voorbereiding op tentamens.
Het probleem is naar mijn mening niet zozeer hoeveel studenten deze methode als nuttig ervaren, maar vooral hoe dit besluit tot stand is gekomen. Hoewel het om een kwestie gaat die alle studenten aangaat, ontbreekt transparantie over de manier waarop de opleiding tot dit besluit is gekomen. Net als bij veel andere beleidskwesties aan de UvA worden de belangen van studenten vertegenwoordigd zonder dat studenten zelf actief bij de besluitvorming worden betrokken. Alleen aangeven dat de maatregel bepaalde positieve resultaten heeft opgeleverd, is niet voldoende.
‘Met andere woorden: als uit de studentenevaluaties aan het einde van het jaar zou blijken dat de meerderheid tegen het beleid is, zou de opleiding het besluit dan terugdraaien?’, vroeg een voormalige ISW-student. Het antwoord lijkt negatief, omdat het beleid niet via een democratisch proces tot stand is gekomen. Dezelfde zorgen leven ook binnen andere opleidingen, aangezien het verbod laat zien dat ingrijpende veranderingen in de vrijheid van studenten tijdens colleges kunnen worden doorgevoerd zonder dat de belangrijkste studentenorganen daarbij betrokken zijn. Bovendien roept dit de vraag op hoe het verbod in de praktijk kan worden gehandhaafd als studenten die op locatie aanwezig zijn weigeren zich eraan te houden.
Verschillende leergewoonten
Een ander belangrijk discussiepunt onder studenten is de vraag of een dergelijk verbod de inclusie en gelijkheid van studenten met verschillende achtergronden schaadt. Hoewel het UvA-beleid uitzonderingen toestaat voor studenten met specifieke ondersteuningsbehoeften wanneer een algemeen verbod tijdens colleges geldt, kunnen de extra administratieve lasten en het gevoel van afzondering in de collegezaal deze studenten verder buitensluiten.
Wanneer de universiteit digitale apparaten verbiedt om afleiding te verminderen en studenten te dwingen zich beter te concentreren, gaat zij er bovendien van uit dat iedereen beter leert met pen en papier. Dat is echter niet voor iedere student het geval. Sommige studenten, bijvoorbeeld studenten met dyslexie, geven mogelijk de voorkeur aan digitale hulpmiddelen omdat deze hen helpen sneller aantekeningen te maken en hun leerproces te ondersteunen. In het algemeen zou de universiteit niet moeten voorschrijven wat voor studenten de beste manier van leren is, aangezien studenten verschillende behoeften en omstandigheden hebben.
Er zijn studenten die beter leren met hun scherm uit, maar er zijn ook studenten die juist beter leren met een scherm aan. Uitgaande van dit gegeven kan een algemeen verbod op digitale apparaten mogelijk meer kwaad dan goed doen voor de inclusie en gelijkheid binnen de opleiding, in vergelijking met een systeem waarin studenten die baat hebben bij deze maatregel er vrijwillig voor kunnen kiezen.
Infantilisering
Door studenten aan een paternalistisch verbod te onderwerpen, laat de opleiding zien dat zij er weinig vertrouwen in heeft dat studenten op een verantwoorde manier met schermgebruik tijdens colleges kunnen omgaan. Het is opmerkelijk dat de UvA niet de enige universiteit is die dergelijke maatregelen heeft ingevoerd: ook sommige Franse universiteiten, zoals Sciences Po Rennes, hebben vergelijkbare beperkingen ingesteld. Maar zelfs als het streven naar meer concentratie tijdens colleges gerechtvaardigd is, doet deze aanpak geen recht aan de zelfstandigheid van studenten bij het kiezen van hun eigen leermethode. Studenten die digitale hulpmiddelen op een verantwoorde manier gebruiken, worden hierdoor feitelijk gestraft voor het gedrag van studenten die dat niet doen.
De universiteit stelt dat zij met dit verbod de concentratie tijdens colleges wil bevorderen. Als docenten ook begrijpen dat concentratie gestimuleerd kan worden, maar niet afgedwongen, waarom wordt dan gekozen voor een strikt verbod op alle digitale apparaten? De universiteit heeft studenten die aan de opleiding zijn verbonden onvoldoende voorbereid op deze verandering. Bovendien ontbreekt een duidelijke procedure waarmee studenten bezwaar kunnen maken of een uitzondering kunnen aanvragen als zij zich niet prettig voelen bij de nieuwe regel.
Om dit punt te illustreren: hoewel het verbod in het nieuws is verschenen, wordt dit onderdeel van het opleidingsbeleid niet als belangrijke informatie vermeld op de website die studenten raadplegen wanneer zij zich oriënteren op de opleiding. Als zelfs het fundamentele recht om vooraf geïnformeerd te worden niet wordt gewaarborgd, is het de vraag of studenten daadwerkelijk een stem hebben in de vertegenwoordiging van hun belangen.
Als iemand die keuzevakken heeft gevolgd samen met ISW-studenten en zelf niet had kunnen afstuderen zonder tijdens colleges mijn scherm te gebruiken, ben ik ervan overtuigd dat de universiteit niet van studenten kan verwachten dat zij zich verantwoordelijk gedragen, terwijl zij hen tegelijkertijd niet als gelijkwaardige, zelfstandige personen met eigen beslissingsbevoegdheid behandelt.