Iets manifesteren kan zowel voor als tegen je werken, ontdekte columnist Willemijn van Dolen bij het doorspitten van wetenschappelijk onderzoek. ‘Onze verbeelding is geen magische superkracht, maar ook geen nutteloze dagdromerij.’
Ik stond achter twee studenten voor mij in de rij bij de koffietent. Ze vertellen elkaar over de vakantie en hoe ze met goede zin weer aan de studie gaan beginnen. ‘Ik ga dit jaar wel serieuzer aan de slag. Ik wil ook wat hogere cijfers halen’. ‘Ja dat moet je gewoon manifesteren.’ Wat volgde was een verhandeling over dat je geluk, rijkdom en gezondheid zelf kunt creëren door middel van je gedachten.
Manifesteren is inmiddels zo ingeburgerd dat je het om de haverklap hoort. Een baan manifesteren. Een relatie manifesteren. Een voldoende voor statistiek manifesteren. Het idee is verleidelijk: als je je toekomst maar levendig genoeg voorstelt, komt die vanzelf dichterbij.
Minder in beweging
Ik wilde eigenlijk tegen de studenten zeggen: pas maar op met dat manifesteren. Onderzoek laat namelijk zien dat positief fantaseren heerlijk voelt, maar ons soms juist minder in beweging brengt. Mensen die uitgebreid fantaseerden over succesvol afvallen, vielen uiteindelijk minder af. Afgestudeerden die zich een moeiteloze start van hun carrière voorstelden, kregen later minder baanaanbiedingen. En studenten die droomden over hoge cijfers, haalden die opvallend genoeg minder vaak.
De verklaring? Als een toekomstbeeld maar levendig genoeg is, voelt het een beetje alsof we er al zijn. De beloning is alvast binnen, terwijl het werk nog moet beginnen. Dat betekent niet dat dromen zinloos zijn. Integendeel. De onderzoekers pleiten er alleen voor om er nog één stap aan toe te voegen: mental contrasting. Fantaseer niet alleen over het eindresultaat, de hoge cijfers, maar stel je ook voor wat er tussen jou en dat doel in staat. De deadline. De uitsteldrang. De groepsopdracht. Het feestje tot laat. En bedenk wat je daaraan gaat doen. Pas dan verandert een wens in een plan. Nu klinkt dit misschien als een open deur, maar volgens de onderzoeker past ergens tussen de 10 en 25 procent van de mensen spontaan mental contrasting toe.
M&M’s
Grappig genoeg kan levendig voorstellen en ‘het voelen alsof je er al bent’ juist ook in je voordeel werken. Onderzoekers van Carnegie Mellon University lieten mensen zich heel precies voorstellen dat ze M&M’s aten. Niet er even vluchtig aan denken, maar echt mentaal consumeren: één voor één, kauwen, slikken, herhalen. Daarna mochten de proefpersonen uit een echte kom M&M’s eten. En wat bleek? De mensen die in hun hoofd 30 M&M’s ‘op hadden’, aten er in het echt minder dan de controlegroep (mensen die zich vooral hadden voorgesteld dat ze munten in een wasmachine stopten).
Hun conclusie? Gedetailleerde, herhaalde mentale consumptie kan zorgen voor verzadiging: je brein heeft er als het ware al genoeg van, nog voordat je de zak opentrekt. Het werkt wel alleen maar als je echt het eten zelf voorstelt. Vaak aan M&M’s denken zonder het eetmoment te visualiseren, of fantaseren over een ander soort snack, had geen effect. Dit proces noemen ze habituation: hoe vaker je een ervaring (ook mentaal) herhaalt, hoe minder sterk de prikkel wordt. En kennelijk kun je dus ook ‘afstompen’ op denkbeeldige M&M’s.
Onze verbeelding is geen magische superkracht, maar ook geen nutteloze dagdromerij. Soms geeft ze richting. Soms haalt ze de vaart eruit. En soms zorgt ze ervoor dat je minder M&M's eet.
Nu maar hopen of manifesteren dat bovenstaande student mijn column opmerkt.