Het laptopverbod bij een aantal opleidingen klinkt als een goede zet, maar is ook vrij rigide, vindt student Halil Çelik. ‘Ook bijzondere omstandigheden verdienen ruimte. Denk aan een student die als mantelzorger bereikbaar moet blijven voor een naaste.’
De laptop dicht, het schrift open, de aandacht terug. Het is een aantrekkelijk beeld: studenten die luisteren in plaats van scrollen en elkaar aankijken in plaats van hun scherm. Maar een rustigere collegezaal is niet automatisch een betere collegezaal.
Bij de bachelor Interdisciplinaire sociale wetenschap aan de UvA zijn laptops, telefoons en tablets tijdens colleges verboden. De opleiding wil daarmee de concentratie verbeteren. Ik begrijp die gedachte. Minder afleiding, meer aandacht en meer onderling contact zijn waardevolle doelen. Ik vind het daarom een interessant experiment, maar niet vanzelfsprekend een verbetering. Ik ben niet tegen laptopvrij onderwijs, maar wel tegen het laptopverbod als standaardoplossing. Een universiteit mag studenten stimuleren om zonder scherm te werken, maar moet goede redenen hebben om die keuze voor hen te maken.
Experimenteren
Onderzoek geeft wel redenen om pen en papier serieus te nemen. Een meta-analyse uit 2024 (Flanigan et al.) van 24 studies onder studenten vond gemiddeld een klein voordeel voor handgeschreven aantekeningen. Tegelijkertijd bleken studenten die typten veel meer informatie vast te leggen. Andere meta-analyses komen bovendien niet tot precies dezelfde conclusie. De wetenschap geeft dus aanleiding om te experimenteren met laptopvrij onderwijs, maar geen eenvoudig bewijs dat een algemeen laptopverbod tot beter onderwijs leidt.
Maar een gemiddeld voordeel is geen voorschrift voor iedere student. En onderzoek naar twee manieren van aantekeningen maken is niet hetzelfde als onderzoek naar de gevolgen van een opleidingsbreed apparatenverbod. De stap van ‘papier kan voor sommige leerdoelen beter werken’ naar ‘dus verbieden we laptops voor iedereen’ is een beleidskeuze, geen conclusie die rechtstreeks uit dit onderzoek (Flanigan et al., 2024) volgt.
Het sterkste argument tegen volledige keuzevrijheid is dat afleiding niet bij de eigenaar van het scherm hoeft te stoppen. Onderwijspsycholoog Paul Kirschner wijst er in een NOS-artikel op dat ook studenten naast een schermgebruiker afgeleid kunnen worden. Dat bezwaar kunnen we niet afdoen met ‘studenten zijn volwassen’. Mijn vrijheid om een laptop te gebruiken is geen vrijbrief om het onderwijs voor een ander te verstoren.
Toegankelijkheid
Daarom pleit ik niet voor grenzeloos schermgebruik. Een docent moet tijdens een discussie kunnen vragen om laptops te sluiten, met ruimte voor wie digitale ondersteuning nodig heeft. Maar gerichte afspraken zijn iets anders dan een algemeen verbod. Folia beschrijft bovendien hoe wiskundedocent Jan Brandts graag het krijtbord gebruikt, terwijl laptops en telefoons bij hem wel toegestaan zijn. Een analoge onderwijsvorm vereist kennelijk niet automatisch een analoge student.
Daarbij mis ik nog een andere vraag: wie heeft eigenlijk over deze maatregel meegedacht? De UvA zegt zelf dat studenten zich medeverantwoordelijk moeten kunnen voelen voor de inhoud van hun opleiding. In opleidingscommissies denken studenten en docenten samen na over de kwaliteit en organisatie van het onderwijs. Dat maakt het relevant om te weten of studenten ook bij dit experiment betrokken zijn. Als een opleiding de manier waarop studenten tijdens colleges mogen leren ingrijpend verandert, zou zo’n maatregel niet alleen vóór studenten, maar zoveel mogelijk met studenten moeten worden ontwikkeld.
Voor mij begint iedere beperking bij een harde voorwaarde: toegankelijkheid moet vooraf geregeld zijn. Wie vanwege bijvoorbeeld ADHD of een lichamelijke beperking digitale ondersteuning nodig heeft om het college goed te volgen, moet die kunnen blijven gebruiken. Niet pas na eindeloos mailen of telkens opnieuw uitleggen waarom een uitzondering nodig is. Een duidelijke uitzonderingsregeling moet zekerheid bieden, geen nieuwe hindernisbaan.
Vertrouwelijk
Daarbij zou het moeten gaan om wat iemand nodig heeft, niet om welke diagnose volgens de docent bij welk hulpmiddel hoort. Een student moet niet midden in de collegezaal persoonlijke omstandigheden hoeven toelichten om een laptop te mogen openen. Regel zulke afspraken vertrouwelijk en zorg dat ze bij iedere betrokken docent gelden.
Ook bijzondere omstandigheden verdienen ruimte. Denk aan een student die als mantelzorger bereikbaar moet blijven voor een naaste. Dat is geen functiebeperking, maar kan wel een reden zijn voor aangepaste afspraken. Wie op een noodzakelijk bericht wacht, doet iets anders dan online winkelen. Beleid dat beide op één hoop gooit, mist precies het onderscheid dat goed onderwijs zou moeten kunnen maken.
En wat vragen we eigenlijk van studenten die al sinds de middelbare school, of soms eerder, digitaal werken?
Stel je een student voor die notities rechtstreeks aan collegestof koppelt, digitaal ordent en later doorzoekt. Voor die student verandert niet alleen het voorwerp op tafel, maar de werkwijze waarop ook het studeren thuis berust. Een andere aanpak aanleren hoeft niet verkeerd te zijn. Maar wie die omslag verlangt, moet ook begeleiding bieden: oefenen met samenvatten, geschikt materiaal beschikbaar stellen en ruimte laten om te ontdekken wat bruikbaar is.
Meer contact
Misschien levert laptopvrij onderwijs vooral iets anders op: meer contact. In Folia vertelt geschiedenisdocent Bram Mellink dat studenten overwegend positief reageerden en andere gesprekken waardeerden. Dat is een serieuze opbrengst. Als studenten elkaar vaker spreken en zich daardoor minder alleen voelen, zou ik dat belangrijk vinden. Een universiteit is tenslotte meer dan een plek waar we tentamenstof verzamelen.
Maar sociale verbondenheid, concentratie en leren zijn niet hetzelfde. Ze kunnen elkaar versterken, zonder dat het ene automatisch het andere bewijst. De positieve ervaringen in het artikel laten nog niet zien of studenten de stof op langere termijn beter begrijpen en onthouden, of welke studenten juist moeite krijgen om mee te doen. Dat maakt de ervaringen niet onbelangrijk. Het maakt onze conclusie voorlopig.
Behandel het beleid daarom als een experiment dat ook kan worden aangepast. Spreek vooraf af wat verbetering betekent. Onderzoek niet alleen tevredenheid en rust, maar ook leerresultaten, toegankelijkheid en de extra belasting van een andere werkwijze. Betrek studenten bij die beoordeling en kijk afzonderlijk naar groepen voor wie de maatregel anders kan uitpakken. Een gunstig gemiddelde mag niet verhullen dat sommige studenten slechter toegang krijgen tot het onderwijs.
Laat docenten dus experimenteren met papier, krijt en schermvrije gesprekken. Laat studenten ervaren wat dat kan opleveren. Maar maak keuzevrijheid het uitgangspunt, onderbouw beperkingen en garandeer noodzakelijke uitzonderingen. Het doel is niet dat iedereen hetzelfde doet. Het doel is dat iedereen kan meedoen.
Een dichtgeklapte laptop is gemakkelijk te tellen. Goed onderwijs vraagt om beter kijken.
Halil Çelik studeeert interdisciplinaire sociale wetenschap aan de UvA.