Waarom brengt de UvA het onderzoek dat aan haar universiteit wordt gedaan, niet in de eigen praktijk, vraagt columnist Magdalena Styś zich af. ‘Als er zoveel aandacht wordt besteed aan het onderzoeken van stress en burn-out, waarom loopt de instelling die dit onderzoek faciliteert dan niet voorop in het toepassen van oplossingen voor de problemen?’
Wanneer we de website van de UvA openen, worden we begroet met de informatie dat we studeren aan “een van de toonaangevende onderzoeksuniversiteiten van Europa”. Als we iets verder naar beneden scrollen, leren we dat de UvA een “centrum voor academisch onderzoek en onderwijs” is.
Sceptisch
Die visie is zonder meer aantrekkelijk: als aankomend student of promovendus zou ik enthousiast zijn om me aan te sluiten bij een instelling die hoge academische standaarden nastreeft en onderzoekers ondersteunt in hun werk. Maar nu ik al enkele jaren aan de UvA studeer en inmiddels weet hoe de universiteit in de praktijk functioneert, merk ik dat ik steeds sceptischer word. Want waarom zou een centrum voor academisch onderzoek het werk van zijn onderzoekers niet toepassen in de eigen praktijk?
Neem bijvoorbeeld SEVEN, een project dat zich richt op het “ontwikkelen van systemische en eerlijke klimaatoplossingen” en prominent op de homepage van de universiteit wordt uitgelicht. SEVEN onderzoekt onder andere manieren om over te stappen op een meer plantaardig dieet en bespreekt hoe “huidige voedselsystemen [...]bijdragen aan milieuvervuiling”. Je zou daarom verwachten dat de UvA zich bewust is van de impact van haar catering op het milieu. Toch laat een wandeling door de kantines, waar vlees rijkelijk vertegenwoordigd is, een andere realiteit zien. Dat roept de vraag op: waar wordt al dit onderzoek vanuit het perspectief van de universiteit eigenlijk voor gedaan? Om iets te hebben om over te schrijven in nieuwsbrieven?
Hetzelfde geldt voor aandacht voor mentale gezondheid. Ondanks dat “Stress” een prominent onderzoeksgebied van de UvA is, waaronder bijvoorbeeld angst en burn-out vallen, klagen studenten jaar na jaar dat zij voor dergelijke problemen geen adequate ondersteuning van de universiteit kunnen krijgen. Als er zoveel aandacht wordt besteed aan het onderzoeken van de gevolgen van stress en burn-out, waarom loopt de instelling die dit onderzoek faciliteert dan niet voorop in het toepassen van oplossingen voor die problemen?
Vage oproepen
De situatie wordt nog merkwaardiger wanneer je bedenkt dat deze “aandacht voor onderzoek” vaak wordt aangevoerd als argument om studenten en medewerkers ervan te weerhouden zich met de universiteit als politieke ruimte bezig te houden. Dat zien we ieder jaar terug bij de verkiezingen voor de medezeggenschap: tegenover iedere kandidaat die campagne voert voor bijvoorbeeld betere mentale ondersteuning voor studenten of ethische samenwerkingen, staat er wel een die vage oproepen doet om “academische excellentie te bevorderen”.
Misschien laat ik me met een poging om dit argument te goeder trouw aan te gaan simpelweg uitlokken door mensen die niet het beste met mij voorhebben. Maar zelfs als we meegaan in het belachelijke idee dat de universiteit uitsluitend een plek voor academisch werk is – alsof het überhaupt mogelijk is om een publieke ruimte los te koppelen van politiek – hoe kan die academische excellentie dan worden bevorderd in een omgeving die de inzichten van haar eigen onderzoekers niet eens belangrijk genoeg vindt om mee te nemen in haar beleid?
De UvA zit vol met studenten en medewerkers die hoogwaardig en maatschappelijk relevant onderzoek doen, op vrijwel ieder denkbaar terrein. Ik kijk ernaar uit naar een toekomst waarin dit onderzoek niet alleen wordt gefinancierd, goedgekeurd door ethische commissies en gebruikt voor marketingbrochures, maar waarin er ook daadwerkelijk naar wordt geluisterd en de resultaten ervan worden toegepast binnen de instelling waar het onderzoek zelf wordt verricht.
Magdalena Styś is derdejaarsstudent taalwetenschap aan de UvA. Vanaf augustus schrijft ze columns voor Folia.