Dat taal- en cultuurfanaten wel in Leiden terecht kunnen en niet bij de UvA, vindt columnist Nikola Edelsztejn ongelooflijk. ‘Hoe wereldwijs is de UvA eigenlijk, wanneer het bestuderen van de culturele fundamenten van de wereld afgebroken wordt door bezuinigingen en we ons compleet hebben laten aftroeven door – toch wel – een conservatief bolwerk?’
Wie er in Nederland voor kiest een niet-westerse regio onder de loep te nemen, zal in het academisch veld zeker niet op de UvA uitkomen. Want hoewel de UvA de meest internationale universiteit van het land genoemd kan worden, wordt dat amper gereflecteerd in het scala taal- en regiostudies. Bijzonder, want we verkeren in een tijdperk waarin het westen en de westerse talen aan relevantie inboeten en het vizier wordt gericht op het Globale Zuiden, waarover wij een zeer beperkt studieaanbod hebben.
De tien meest gesproken talen op de wereld worden aan de UvA geëerd met vier studies : Engels, Spaans, Modern Standaard Arabisch en Frans. Wanneer we de lijst aanvullen met de zes overige talen, die gezamenlijk 2,8 miljard sprekers hebben, zien we wat gaten vallen. Het betreft, op volgorde van het aantal moedertaal- en tweede taalsprekers, Mandarijn, Hindi, Bengali, Portugees, Indonesisch en Urdu.
Zes talen die huis zijn aan niet-westerse landen – Portugees écht aan Portugal verbinden getuigt wellicht toch van enige naïviteit – en die niet aan de UvA, maar 50 kilometer verderop hun Nederlandse academische bolwerk hebben, te Leiden. Naast negen van de tien meest gesproken talen, kan er ook Swahili, Japans, Koreaans, Perzisch, Turks, Sanskriet en Tibetaans gestudeerd worden. De enige die ontbreekt is het Bengaals.
Wereldwijs
Voor een taal- en cultuurfanaat is Leiden een speeltuin, terwijl de universiteit toch lang niet zo een progressieve en internationale status heeft als die van ons. Hoe wereldwijs is de UvA dan eigenlijk, wanneer het bestuderen van de culturele fundamenten van de wereld afgebroken wordt door bezuinigingen en we ons compleet hebben laten aftroeven door – toch wel – een conservatief bolwerk?
“Er is geen geld, dus we bezuinigen op de geesteswetenschap” mag in het marmer (waar, neem ik aan, ook geen geld voor is) van de bestuurskamers van de Roeterseilandcampus gebeiteld worden. Wat hebben ze het toch goed gedaan ; de geesteswetenschap is op sterven na dood, studenten en docenten mogen op het PC Hoofthuis ventileren met stukken gordijn en naar het toilet bij voorkeur bij de kroeg op de hoek.
Bij het rapport van de Onderwijsinspectie, dat samen met de uitslagen van de Nationale Studentenenquête (NSA) werd gepubliceerd, kwam tevens naar voren dat het regiostudiesonderwijs dat we nog wel hebben, ook niet aan de hoogste der eisen moet voldoen. Zo hoeven de studenten Scandinaviëstudies, die Deens, Noors of Zweeds als hoofdtaal kunnen kiezen, hun scriptie niet in een van de doeltalen te schrijven, omdat het beoogde niveau niet aangetikt kan worden. Dan hebben we het over talen die dichterbij het Nederlands staan dan Italiaans, Frans en Spaans, waar wél een scriptie in geschreven moet worden.
Debiliteit
Door de heiligheid van het Europees Referentiekader voor vreemde talen wordt de student tevens een bepaalde mate van debiliteit toegeschreven, want het Nieuwgrieks en de Slavische talen zouden voor de student toch echt te lastig zijn om na drie jaren een niveau hoger dan B1 in te behalen; het niveau dat een leerling van 5VWO geacht dient te hebben in het Duits en Frans.
De secties zelf kunnen we hier op generlei wijze de schuld van geven, want uit de NSA blijkt dat studenten – terecht – lyrisch zijn over de kwaliteit van het onderwijs, de betrokkenheid en de competentie van de docenten en de onderlinge sfeer bij de werkcolleges. We hebben de beste boot in de ruigste zee.
Het betreurt me echter wel zeer dat internationalisering voor de UvA vooral een zuignap is, iets dat van buitenaf moet komen in de vorm van buitenlandse studenten en amper van binnenuit, met studenten die de wereld buiten Europa beter willen leren kennen en op die manier zelf voor pluraliteit op de uni zorgen.
Concurrent
Het is waardevol dat hetgeen er nog over is van de Europese landenstudies van goede kwaliteit is, maar voor India, Brazilië en China, om wat voorbeelden te noemen, zijn we in de eerste plaats de Europese Unie en een politieke, militaire en economische partner, dan wel concurrent, en zal Europa weinig hebben aan de pluraliteit in talen, zeker niet wanneer we er niets voor hebben gedaan hun talen en culturen beter te leren kennen.
Uit de Eurobarometer van 2024 bleek dat minder dan vijf procent van de Europeanen het Hindi zien als belangrijke taal om te leren voor de toekomst en ook het Portugees, Bengali en Indonesisch kregen vergelijkbare of zelfs lagere scores.
Hetgeen ons dit leert is dat het Globale Zuiden als concurrent noch partner wordt gezien in de linguïstische en culturele opvattingen van de Europeanen en het is de taak van de academia om in het intellectuele debat niet alleen met woorden (waar we in Nederland al uiterst spaarzaam mee zijn), maar ook met daden te komen, want Europa staat niet meer op plek één. En we zullen nog veel verder dalen, wanneer we geen moeite nemen de rest van de wereld ook maar een beetje beter te begrijpen.
Afhankelijkheid
In principe geldt vanuit de EU nog steeds: de “rest van de wereld” wordt bekeken met een Europese bril van enerzijds macht, anderzijds angst. China houden we graag te vriend, omdat we er nu eenmaal afhankelijk van zijn, maar Brazilië, dat er eigenhandig voor zorgt dat we in Europa aan voldoende voedingsstoffen voor vee komen, blijft men toch als handig instrument zien, terwijl het een van de weinige landen ter wereld is die volledig zelfvoorzienend is op het gebied van voedsel en energie. Dat dit niet voor Europa geldt, roept men graag op de bühne, wanneer internationale samenwerking wordt geprezen als de balans tussen onze zelfredzaamheid en het helpen van opkomende economieën, terwijl het een publiek geheim is dat wij zonder de Congolese ertsen, het Braziliaanse voedsel en de Taiwanese computerchips alvast kunnen beginnen met het sprokkelen van golfplaten om wat sloppenwijken te bouwen.
Het wordt daarom ook tijd dat de academia zich realiseert dat taal- en regiostudies geen leuke nichekennis zijn, maar essentieel zijn om het voortbestaan van Europa op een veranderend wereldtoneel te kunnen garanderen. Het getuigt toch wel van grote naïviteit om te denken dat er in de glazen torens van São Paulo over tien jaar nog standaard op Engels overgeschakeld wordt, wanneer de EU komt bedelen om soepelere heffingen op maïs.