Afgelopen week werd een nieuw cao-akkoord gesloten tussen universitaire werkgevers en werknemers. De positie van junior docenten is daar wederom schromelijk over het hoofd gezien, betoogt Jos Verbrugge. ‘Vakbonden moeten zich eens achter de oren krabben en zich afvragen wie zij eigenlijk vertegenwoordigen.’
Als vermoedelijk de meest ervaren junior docent van de UvA heb ik afgelopen week weer eens afscheid moeten nemen van collega’s zonder een vaste aanstelling. Professionals met een Basiskwalificatie Onderwijs (BKO) van wie de leidinggevende dolgraag wilde dat ze door konden gaan met lesgeven, maar die gedwongen moeten vertrekken terwijl in de laatste weken van hun aanstelling een vacature online stond voor hun vervanging.
Nul op rekest
In de vorige week afgeronde cao-onderhandelingen hebben de vakbonden gevraagd om een vaste aanstelling voor vast werk voor docenten om deze hallucinant oneerlijke en onlogische situatie in de toekomst te voorkomen. Ze hebben nul op het rekest gekregen en noemen dat een succesvol resultaat.
Dat is niet zo vreemd. Om te beginnen kwam het standpunt niet vanuit de vakbonden maar vanuit Casual UvA, een groeiende groep medewerkers die zich verenigd hebben om de oneerlijke behandeling van beginnende academici aan de kaak te stellen. Uiteindelijk is via de jongerentak van de FNV het standpunt op het eisenlijstje terecht gekomen, maar inmiddels wordt er met geen woord meer over gerept. Vakbonden zouden zich eens achter de oren moeten krabben als medewerkers die zij zouden moeten vertegenwoordigen, zich buiten hen om gaan verenigen.
De onderhandelaars die in de Universitaire Commissie Lokaal Overleg (UCLO) voor de vakbondsbelangen opkomen zijn zonder uitzondering medewerkers met een vast contract en hun focus blijkt helaas nog steeds vooral gericht op het belang van andere medewerkers met een vast contract. Zo liet een van hen zich in mijn bijzijn ontvallen dat junior-docenten ‘maar een D4’tje zijn’ die ‘helemaal geen vast contract zou moeten willen’. Een gênanter, vernederender en pijnlijker moment heb ik in mijn tijd bij de UvA niet meegemaakt.
Flexibele schil
De redenering die je vanuit zowel de vakbonden als de universiteiten zal horen is dat er een ‘flexibele schil’ nodig is om reorganisaties te voorkomen wanneer studentenaantallen of inkomsten teruglopen. Dit is een non-argument dat best redelijk en plausibel klinkt maar dat eigenlijk een lelijk aspect van een perfide systeem probeert te verhullen.
Om te beginnen zullen de meeste mensen het erover eens zijn dat een afname in studenten niet per definitie gecompenseerd zou moeten worden met het terugschroeven van werkgroep-onderwijs aangezien dat in tijden van AI, digitalisering en een toenemend belang van academische vaardigheden juist een onderwijsvorm is die alleen maar noodzakelijker en belangrijker wordt. Bovendien is de flexibele schil ook nooit een argument geweest om medewerkers van secretariaten en onderwijsbureaus een tijdelijke aanstelling te geven, alleen bij promovendi en junior-docenten doen we daar heel moeilijk over.
Onderzoek
De reden lijkt me duidelijk: Om op te klimmen binnen een universiteit is onderzoek het enige dat telt en dus besluit een kleine club van wetenschappers die zich graag omringt met vaste vertrouwde gezichten voor het organisatorische kantoorwerk, dat hinderlijk onderwijs en het minder inspirerende loopwerk in onderzoek zoveel mogelijk ‘naar beneden moet worden ‘geveegd’ richting werkgroep-docenten en promovendi. In plaats van een vaste kern met een ‘flexibele schil’ zou je de huidige universiteit dan ook veel beter kunnen beschrijven als een onderzoeks-raket met een kleine bemanning die boven in de top aan de knoppen draait op zoek naar sterrenstatus. Daaronder een grote brandstoftank vol jonge onderzoekers en docenten die zo efficiënt mogelijk als goedkope brandstof wordt opgebrand en uitgestoten.
Rat race
Ja maar, hoor ik u sputteren, wat wil je dan? Niet iedereen kan professor worden.
Waarop mijn antwoord is: Nee misschien niet, maar hoe logisch is het om iemand voor het leven hooggeleerd te noemen terwijl kennis en ervaring als maar sneller achterhaald raken. Hoe logisch is het dat iedereen alleen maar naar boven kijkt wanneer het leven soms ook een wending neemt waardoor je aandacht even niet bij ‘rat race’ van subsidieaanvragen kan liggen?
Onderwijs als ‘side quest’
En hoe logisch is die overdreven focus op onderzoek? Toen Vossius en Barlaeus de UvA stichtten deden ze dat omdat ze van mening waren dat een gedeelde kennisbasis de maatschappij verenigt. In die filosofie is het doorgeven van kennis en vaardigheden minstens zo belangrijk als het verkrijgen ervan. Toch toont dit cao-akkoord maar weer eens dat onderwijs inmiddels eerder als een hinderlijke ‘side-quest’ wordt gezien door een naar binnen gekeerde onderzoeks-elite die doof lijkt te zijn geworden voor de maatschappelijke rol die een universiteit zou moeten vervullen.
Maar keer het eens om. Wat gebeurt er als je junior-docenten en promovendi wel een vaste aanstelling zou geven? Dwingt dat ons niet om na te denken hoe we een carrière op basis van onderwijs mogelijk kunnen maken? Dwingt het ons niet om promovendi met meer respect te behandelen en na te denken over hun perspectieven na hun promotie?
En stel je eens voor wat er gebeurt wanneer niet alleen de kwetsbare jonge medewerkers zonder vast contract, zonder huis en zonder perspectief de sjaak zijn bij teruglopende inkomsten, maar dat de brede schouders van de goed betaalde professoren met een vast contract ook een deel van de last op zich zouden moeten nemen. Zouden we niet meer als team gaan functioneren, meer waarde aan sociale veiligheid en hanteerbare werkdruk gaan hechten als we allemaal verantwoordelijk zijn voor het welvaren van onze collega’s? Zouden we niet meer aandacht hebben voor draagvlak in de maatschappij wanneer ook de top pijn voelt bij bezuinigingen?
Voorbeeld
Ik ben misschien ‘maar een D4’tje’ maar als docent heb ik geleerd dat je veel kan bijbrengen door als voorbeeld te dienen. Net zo zouden universiteiten moeten begrijpen dat de keuzes die zij maken ook een voorbeeld zijn voor de maatschappij. Willen we het zoveelste voorbeeld zijn van een gevestigde orde die met drogredenen zijn lasten en onzekerheid afwentelt op de jongere generaties, de zwakkeren, de medewerkers zonder stem in de verschillende gremia? Of willen we een baken van hoop in donkere tijden zijn en tegen de stroom in trouw aan onze principes het belang van een gemeenschappelijke basis en verbinding uit blijven dragen?
Als dat het eerste is, so be it. Als je daarentegen niet met oogkleppen op aan de lelijke reflectie in de spiegel voorbij wil lopen en je je net als ik kapot schaamt voor de manier waarop universiteiten met hun voorbeeldfunctie en jongere medewerkers omgaan, dan kan je nog tot 10 juli tegen dit principeakkoord stemmen. Dan ben je misschien niet gelijk zomerfit maar ik kan je verzekeren dat je met een beter gemoed de zomer in zal gaan dan de betraande collega’s die ik van de week op hun laatste werkdag vaarwel heb moeten kussen. De keuze is aan u.
Jos Verbrugge is junior docent psychologie aan de UvA.