Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
Het P.C. Hoofthuis, hoofdzetel van de FGw.
Foto: UvA.
opinie

Nikola Edelsztejn | Het ensemble stadscentrumgebouwen van de UvA verkeert in staat van ontbinding

Nikola Edelsztejn Nikola Edelsztejn,
3 juni 2026 - 13:00

Columnist Nikola Edelsztejn voelt zich in de UvA-gebouwen in het centrum een beetje ontheemd. ‘Al het hele jaar heb ik het gevoel dat het P.C. Hoofthuis vooral fungeert als overstapstation tussen huis en de rest van de dag. Blijven hangen op de campus, zoals zo verleidelijk is op Roeterseiland, is er minder aan de orde.’

Toen ik van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid overstapte naar Geesteswetenschappen, veranderde niet alleen mijn profiel, maar ook mijn leeromgeving. Waar ik eerst vier dagen in de week op de Roeterseilandcampus in het centrum van de universiteit ronddwaalde, tref ik mezelf nu vaak relatief eenzaam aan in de gebouwen in het oude centrum. Wie langs de Oudemanhuispoort of het P.C. Hoofthuis loopt heeft toch minder het gevoel langs een universitaire campus te lopen. Maar is die centralisatie rondom Roeterseiland nu wel zo goed voor je studentenbeleving?

 

Anoniem 

Er zitten twee kanten aan dit verhaal, want enerzijds geniet ik van de relatieve anonimiteit die je beleeft als ‘niet-Roeters’ - student. De vijftien minuten durende wandeling van het Centraal Station naar het P.C. Hoofthuis deel ik met groepen Britse toeristen in Prada en Burberry, die op jacht zijn naar een voorgedraaide joint en in hun ogen kan ik iedereen zijn. Ook een toerist, die toevallig iets beter de weg lijkt te kennen? Misschien iemand op weg naar zijn of haar werk, of gewoon een bon vivant die een wandeling door de historische binnenstad maakt en straks ergens koffie gaat drinken?


Aan de andere kant heb ik zélf ook geen idee waar de mensen heengaan die zich in de buurt van de centrumgebouwen van de UvA begeven. Al het hele jaar heb ik het gevoel dat het P.C. Hoofthuis, onder andere, vooral fungeert als overstapstation tussen huis en de rest van de dag. Blijven hangen op de campus, zoals zo verleidelijk is op Roeterseiland, is er toch wat minder aan de orde.

Het UvA-bestuur zou eens moeten kijken naar de positie die de REC inneemt als vlaggenschip van de universiteit

In een stad als Amsterdam heb je nu eenmaal te maken met logistieke beperkingen. Het feit alleen al dat de Roeterseilandcampus bestaat is, gezien de schaarse ruimte in de stad, bijzonder te noemen. Door verticaal te denken, de buitenruimte smal te houden en de stratengeografie van de wijk te respecteren, heeft men dan ook het maximale uit de REC gehaald. Ondanks het feit dat het van buiten misschien niet het mooiste gebouw van de stad is, past het alsnog goed in de sfeer van de Wibautstraat en de Weesperstraat en van een afstand zal het gebouwencomplex niet als ‘anders’ opvallen.

 

Positie
Het is verleidelijk om te denken dat het sociale succes van de Roeterseilandcampus voornamelijk te wijten is aan het feit dat er simpelweg meer studenten, van meer verschillende studies op dagelijkse basis rondlopen, maar ik denk ook dat we zouden moeten kijken naar de positie die de REC als vlaggenschip van de universiteit inneemt.
 
Met de nieuwe UB hebben we gezien dat de UvA een tijdperk van verregaande centralisatie is ingeslagen en haar studenten en werknemers het liefste op een aantal beperkte grote plekken wil houden, ten behoeve van de uniformiteit van het instituut, waardoor de kleinere faculteitsgebouwen het nakijken hebben.


Voor de studenten van ‘voorname’ studies houdt men het ook graag makkelijk: alles op één plek en dan vooral de beste plek. Niet twintig minuten door een overvolle binnenstad lopen, om uiteindelijk in een ongeventileerd hok te zitten, tussen een verzameling lokalen waar zoveel onderhoud aan nodig is dat ze niet eens meer worden gebruikt voor onderwijs.
 

Afbrokkelende gebouwen
De UvA heeft de komende jaren echter wel wat te kiezen, want het is duidelijk dat er geen ruimte op de REC bestaat om alle geesteswetenschappenstudenten onder te brengen, maar het ensemble stadscentrumgebouwen verkeert in een staat van ontbinding. Waar dit soort afbrokkelende gebouwen op sommige buitenlandse universiteiten een grote charme met zich meebrengen, door de mengelmoes aan studenten die buiten een kopje koffie en een sigaretje nuttigt, zijn het bij ons meer verlaten kantoorgebouwen, die op geen enkele wijze uitnodigen er lang te vertoeven.


Het bestuur zal zich dan ook de vraag moeten stellen: vinden we de sociale factor van de universiteit belangrijk genoeg om de koers van centralisatie iets bij te stellen?

website loading