Mensen die de nieuwe universiteitsbibliotheek een ‘architectonisch hoogstandje’ noemen, columnist Nikola Edelsztejn snapt er niks van. ‘De nieuwe UB is het resultaat van een brainstormsessie van dronken architecten op teambuildingsreis naar Vlieland.’
Bakstenenparadijs
Voor eenieder die bruinkleurige gebakken klei een interessant en esthetisch bouwobject vindt, is Amsterdam een tuin van Eden. Toegegeven, het is erg praktisch, makkelijk te vervaardigen en het gaat lang mee.
Door de neutraliteit en – ergens ook wel – de vriendelijkheid van het materiaal, spreken we bij bakstenen gebouwen zelden over molochen, horizonvervuiling of, in het positieve geval, parels en kunstwerken. En als dat laatste wél gebeurt, is dat grotendeels te danken aan de ornamenten, torentjes, poorten et cetera.
Een natuurlijke schoonheid lijkt het echter niet te bezitten, vandaar ook dat een esthetische speurtocht in een arbeiderswijk, met een vrijwel identieke bouwstijl als die men in de historische centra aantreft, niet echt een winstgevend model genoemd mag worden. Zie ik in esthetisch opzicht het verschil tussen een grachtenpand en een Amsterdamse Schoolpand in de Rivierenbuurt? Nee.
Uiteraard ben ik mij ervan bewust dat de overvloed aan klei in de Nederlandse grond de voorname reden is waarom ‘s Neerlands steden gevuld zijn met dezelfde, bruine, middellage gebouwen, die zo weinig verhaal uitstralen, dat – ook in historisch perspectief – nooit met schoonheid werd geassocieerd: Frans natuursteen kreeg in principe de voorkeur, maar als de poen op was, kon er altijd nog overgeschakeld worden op baksteen.
Bloemenkas
Bij de Universiteitsbibliotheek, een bakstenen gebouw, heeft men het echter voor elkaar gekregen om ook het binnenwerk compleet aan alle facetten van verfijning te onttrekken, resulterend in een openluchtmuseum voor gefaald eclecticisme.
Waar eclectische steden op een bezoeker een intense, doch positieve indruk kunnen achterlaten, die een zekere mate van verwondering in gang zetten – mijn favoriete voorbeelden zijn Brussel, Boekarest en Belgrado –, speelt een enkel eclectisch gebouw met een behoorlijk risico: het kan eruitzien als het resultaat van een brainstormsessie van dronken architecten op teambuildingsreis naar Vlieland. Zie daar, de UB van de UvA werd geboren.
Wie met het idee was gekomen om een asymmetrisch glazen plafond over de binnenplaats te spannen, die hetzelfde idee oproept als een bloemenkas in het Haagse achterland, kan mij er op generlei wijze van overtuigen dat het vestigen van tijdloze esthetiek het uitgangspunt was.
Het haast beschamende feit dat ervoor werd gekozen om, net als op de Roeterseilandcampus, dezelfde soort matte rode en grijze banken te pas en te onpas aan te brengen maakt het nog mismaakter. De glanzende witte wenteltrap, die als een ronddraaiende zetpil de inkomhal penetreert, behoeft geen verdere kritiek; dat wijst zichzelf wel.
Betonnen paleisje
Hetgeen mij verbaast is niet dat het een lelijk gebouw is, want Nederland (en vrijwel heel Noord-Europa) staat vol met dit soort gebouwen. Het is overduidelijk dat er getracht is schoonheid aan te brengen terwijl er ondertussen ook is geprobeerd een historisch pand in ere te houden. Ik zou bijna willen zeggen: lap de regels aan je laars, sloop dat rijksmonument en zet er een leuk betonnen paleis neer. Dan heb je pas een eclectische afwisseling in de stad, die niet pretendeert mooi te zijn, maar juist alle kritiek op zich af laat komen, wetende dat niemand er gekwetst door zal zijn; de lelijkheid was juist haar primaire doel.
En wie weet raapt Ceaușescu zijn uit elkaar gemitrailleerde lichaam bij elkaar om een kijkje te nemen.