Toen Nikola Edelsztejn recentelijk las over de proef van de gemeente Amsterdam om een rookvrije zone in te stellen in de Roetersstraat, aan de rand van de Roeterseilandcampus, was zijn eerste gedachte: wie help je hier nu mee? ‘Ik weet vrijwel zeker dat ik en andere rokers nog met hetzelfde gemak ons rookmoment op de hoek zullen nemen.’
‘Ga niet in een stad wonen als je de vervuiling niet aankan,’ is een mantra dat ik heb opgepakt gedurende de tijd dat ik in de Roemeense hoofdstad Boekarest woonde. Vrijwel elke straat die men bewandelt is bezaaid met sigarettenpeuken, her en der een zakdoekje met ongewenste substantie en dan weer de geur van urine of op zaterdagavond: braaksel.
Hier zou je uitgebreid over kunnen klagen en mensen die van het platteland komen of de stad voor het eerst aandoen zullen dit ongetwijfeld ook doen, maar het is tevens een simpel kenmerk van de altijd wat anarchistische structuur van een stad.
Ook Amsterdam is en blijft een grote stad en wanneer we een blik werpen op de geschiedenis kunnen we haar ook alles behalve beschaafd noemen: de omgeving van het Weesperplein en de Wibautstraat, waar menig UvA-student het stratenplan nog kan natekenen na zes pure wodka met ijs, was in de jaren tachtig dé plek voor daklozen en junks. Geen chique aanzicht, wel typerend voor een grote stad.
De keuze van het gemeentebestuur om dergelijke plekken schoon te vegen heeft niet zelden tot gevolg dat de problematiek zich verplaatst en op de nieuwe locatie zelfs verergert: het welbekende waterbedeffect.
Maakbaarheidswaanzin
Nederland is traditioneel een land dat voorop loopt in het idee dat een samenleving maakbaar is en dat de politiek het mandaat heeft om modelburgers te vervaardigen, wat niet alleen uiterst naïef is, maar ook misplaatst arrogant. Voor een land dat zichzelf wenst te profileren als weldenkend, rationeel, nuchter en verantwoordelijk, is het bijzonder paradoxaal dat het vertrouwen in de ratio van de burger dermate laag is dat er maatregelen nodig zijn om deze zich te laten gedragen op de opgelegde sociaal wenselijke manier.
Hierbij wordt voorbij gegaan aan het feit dat het merendeel van de mensen ongeschreven normen van nature reeds accepteert en hiernaar handelt. Ook bij rokers is dit het geval: voorheen was het gewoon om te roken in een afgesloten auto met twee dreumesen op de achterbank, tegenwoordig kent iedereen de gevaren hiervan en ook dat dit geen goed idee is. We hebben dus behoefte aan een waardengevoel, waarbij men een actie nalaat op basis van een bewustzijn ten aanzien van de gevolgen ervan, om aan een gebod gehoor te geven. Bij een rookverbod op straat, midden in het stadscentrum, lijkt mij dit absoluut niet het geval.
Unieke invalshoek
Michel van Wijk, initiatiefnemer van het plan en lid van de stadsdeelcommissie Centrum, stelt dat er sprake moet zijn van vrijwilligheid en sociale bemoediging teneinde het rookverbod te handhaven. Een unieke invalshoek, aangezien dit betekent dat de taak tot handhaving bij de buurtbewoners komt te liggen, die de roker dienen aan te spreken op het feit dat deze rookt en vervolgens vraagt of ermee opgehouden kan worden. Een subliem plan in een stad waar mensen worden neergetikt, omdat ze een fietser aanspreken op door rood rijden.
Ik begrijp dat niet-rokers zich gefrustreerd kunnen voelen omwille van het feit dat iemand rookt, maar laten we wel zijn: de uitlaatgassen van de bestelbus die proviand komt brengen voor de hele wijk omdat de afstand naar de supermarkt om de hoek te groot is, brengt ook geen gezondheidsvoordelen.
Wellicht is het dan ook een idee om te accepteren dat steden vies zijn en dat een sigaretje op straat niets meer betekent dan: als u er last van heeft, dan ga ik even wat verder van u af staan.
Nikola Edelsztejn is schrijver en bachelorstudent rechten aan de UvA. Na de zomer start hij als vaste columnist van Folia.