Ooit gehoord van het sprookje over het broodje dat wegliep? Kleine kans, maar in Oekraïne is het een absolute klassieker. Met behulp van dergelijke volksvertellingen geeft UvA-student Anastacia Piersma (19) Nederlandse les aan Oekraïense vluchtelingen en migranten.
Er was eens een student die lesgaf in Nederlands. Zo zou een sprookje over Anastacia Piersma kunnen beginnen. De negentienjarige rechtenstudent weet haar studie aan de UvA namelijk te combineren met het runnen van een eigen taalwebsite, waarop zij niet alleen standaard lesjes Nederlands aan Oekraïense vluchtelingen geeft, maar sinds kort ook traditionele Oekraïense sprookjes als lesmethode aanbiedt.
‘Het begon twee jaar geleden, toen ik voor het eerst Nederlandse les gaf aan een Oekraïens meisje,’ vertelt Piersma in studentencafé Kriterion. ‘Mijn moeder is ook Oekraïens, dus zo kwam ik bij dat meisje terecht en kon ik op een heel laagdrempelige manier beginnen met lesgeven. Een jaar later later besloot ik ook een Instagramaccount aan te maken. Toen dat steeds groter werd heb ik me bij de KvK ingeschreven en sindsdien geef ik digitaal Nederlandse les aan Oekraïense vluchtelingen.’
Hoe gaat het lesgeven je af?
‘Dat was wel even wennen. Zelf Nederlands spreken is één ding, maar kunnen uitleggen waarom het de tafel is en niet het tafel, is best ingewikkeld. Maar op een gegeven moment is het balletje wel gaan rollen. Er kwamen steeds meer aanvragen en volgers bij, en inmiddels heb ik al aan een stuk of honderd mensen lesgegeven. Het is een serieuze bijbaan naast m’n studie geworden.’
Op jouw website valt op dat je niet alleen standaard lesmethodes gebruikt, maar ook met traditionele Oekraïense sprookjes werkt.
‘Klopt, dat idee kwam van Olena, één van mijn leerlingen. Zij heeft een dochtertje en volgt al heel lang lessen bij mij. Laatst stelde ze aan mij voor om klassieke Oekraïense sprookjes naar het Nederlands te vertalen. Daar was ik meteen superenthousiast over. De vertalingen doet ze zelf, ik kijk achteraf dan alleen nog even of alles klopt. Het idee is dat Oekraïense kinderen op deze manier heel laagdrempelig Nederlands kunnen leren. Zoals wij Sneeuwwitje of Doornroosje uit ons hoofd kennen, kennen zij deze verhalen. Dat maakt het makkelijker om de Nederlandse tekst te begrijpen.’
Vooralsnog staat er één sprookje online.
‘Ja, we zijn nu net met het tweede sprookje bezig. Dat verhaal is ook door Olena vertaald en moet ik alleen nog even checken. Het is een sprookje dat gaat over een verloren want.’
Het sprookje dat al op de site staat, gaat over een broodje dat tot leven is gewekt, en heeft een vrij duister einde. Nog lang en gelukkig leven is er niet bij. Is dat vaak zo in Oekraïense sprookjes?
‘Dit is in ieder geval wel een verhaal dat alle Oekraïense kinderen kennen, maar ik zou niet zeggen dat die grimmigheid iets is dat in alle sprookjes terugkomt hoor.’
Ben je zelf opgevoed met Oekraïense sprookjes?
‘Eigenlijk niet, het is allemaal nog vrij nieuw voor me. M’n moeder kent die verhalen wel allemaal op haar duimpje, maar zij heeft ze niet aan mij meegegeven. Toen ze hier naartoe verhuisde, wilde ze zo snel mogelijk Nederlands leren, daarom lag daar thuis de nadruk op.’
Zijn deze sprookjes voor jou een manier om je band met Oekraïne te versterken?
‘Jazeker. Ik wist bijvoorbeeld al wel hoe verjaardagen of feestdagen als kerst en oud en nieuw traditioneel gevierd worden in Oekraïne, maar het is alleen maar fijn om die cultuur op deze manier nog beter te begrijpen. Vooral nu er hier in Nederland steeds meer Oekraïense vluchtelingen zijn, is het goed als we meer van elkaars cultuur afweten.’
Welke rol speelt de oorlog in Oekraïne bij het geven van deze lessen voor jou?
‘Ik vind het vooral heel fijn dat ik op deze manier iets terug kan doen. Toen we hoorden dat de oorlog uitbrak, verloren we direct al het contact met mijn familie daar. Pas twee maanden later hoorden we dat ze oké waren. Ik wilde graag iets doen, maar je gaat niet zelf naar het front en pakketten opsturen is ook niet makkelijk. Het voelt wel alsof ik op deze manier echt iets voor de Oekraïense gemeenschap kan betekenen. Ik ben daar meer onderdeel van geworden dan ik eerst was.’
Is deze bijbaan eigenlijk goed te combineren met je studie?
‘Niet helemaal, daar heb ik ook best wat moeite mee. Soms raak ik in een soort hyperfocus met studie en dan weer in een hyperfocus met werk, terwijl ik m’n tijd eigenlijk beter zou moeten verdelen. Vooral met tentamens verlies ik wel eens het overzicht. Maar uiteindelijk is dit het wel waard. Ik ben negentien, dat is behoorlijk jong voor het hebben van een eigen bedrijf, en ik doe op deze manier veel waardevolle ervaring op.’