Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
De UvA wil in vijf jaar tijd tien procentpunt meer vrouwelijke hoogleraren – hoe haalbaar is dat?
Foto: Marc Kolle
actueel

De UvA wil in vijf jaar tijd tien procentpunt meer vrouwelijke hoogleraren – hoe haalbaar is dat?

Tijmen Hoes Tijmen Hoes,
19 uur geleden

Van dertig naar veertig procent vrouwelijke hoogleraren voor 2030, zo luidt de ambitie die de UvA onlangs formuleerde. Dat betekent dat er de komende jaren een hoop moet gebeuren. ‘Dit los je niet zomaar even snel op.’

Stukje bij beetje neemt het percentage vrouwelijke hoogleraren aan de UvA ieder jaar iets toe. Voor 2025 stelde de universiteit zichzelf ten doel de dertig procent aan te tikken, en nu dit eenmaal is gelukt, wordt voor 2030 ingezet op een streefcijfer van veertig procent. Dat betekent dat er in vijf jaar tijd negenenhalf procentpunt winst moet worden geboekt, wat vrouwelijke hoogleraren betreft. Een ambitieus plan, maar is het ook realistisch?

 

Ter vergelijking: tussen 2020 en 2025 wist de UvA het percentage vrouwelijke hoogleraren te doen stijgen van 23,8 naar 30,5 procent. Ook een flinke toename dus, maar toch nog altijd een kleinere dan de stijging die noodzakelijk is om het streefcijfer voor 2030 te behalen.

Marie-Aude Baronian
Foto: Mechitov
Marie-Aude Baronian

Hoe word je hoogleraar?

Allereerst de vraag: hoe word je nu eigenlijk hoogleraar? Dat is niet zo eenduidig. Volgens het hooglerarenbeleid van de UvA moeten beoogde hoogleraren in ieder geval ‘verantwoordelijk zijn voor onderwijs en onderzoek en hun kwaliteiten tonen op beide terreinen,’ maar ook leiderschapskwaliteiten zijn vereist om voor de positie in aanmerking te komen. Zo heeft de universiteit dus wel enkele kwaliteitseisen geformuleerd, maar een vastomlijnd pad richting het hoogleraarschap lijkt er niet te zijn.

 

Dat ziet ook Marie-Aude Baronian, gespecialiseerd in cultuur-, film- en filosofiestudies, en al twaalf jaar Universitair Hoofddocent (UHD) – de functie die één stap onder het hoogleraarschap staat in de academische hiërarchie – aan de geesteswetenschappenfaculteit. ‘Er is, ook voor vrouwelijke UHD’s, geen vast traject richting het hoogleraarschap. Dat zou een reden kunnen zijn dat het percentage niet sneller stijgt,’ aldus Baronian.

 

Miljoenenbeurs

Want hoewel ze, haar eigen loopbaan bekijkend, op papier denkt te voldoen aan de omschrijving zoals die in het hooglerarenbeleid van de UvA wordt geformuleerd, ziet ze dat er in de praktijk nog een andere vereiste bestaat. ‘Het binnenhalen van een miljoenenbeurs telt enorm zwaar. Ik heb veel ervaring opgedaan op het gebied van onderzoek, publicaties, promovendibegeleiding en management, maar zonder zo’n miljoenenbeurs lijkt het onmogelijk om hoogleraar in de geesteswetenschappen te worden.’ Onlangs refereerde columnist Han van der Maas ook al naar dit fenomeen.

‘Vakgebieden waarin veel vrouwen werken worden soms minder serieus genomen, en als feminien beschouwd’

Ze gelooft dat dit te maken heeft met haar vakgebied, en dat dit een obstakel is waar meerdere vrouwelijke wetenschappers in de geesteswetenschappen tegenaan lopen. ‘Vakgebieden waarin veel vrouwen werken worden soms minder serieus genomen, en als feminien beschouwd. Het grote geld is daar dus niet eenvoudig te halen. Maar moet ik dan met andere expertises gaan werken, om zo meer geld binnen te halen, en misschien toch hoogleraar te kunnen worden? Het is een vraagstuk dat ik bij meer vrouwen om mij heen zie.’

Mirjam Fransen
Mirjam Fransen

Meisjes van de werkvloer

Ook Mirjam Fransen, Universitair Hoofddocent gezondheidsvaardigheden en publieke gezondheidszorg aan het Amsterdam UMC, heeft gedurende haar loopbaan gezien hoe het voor vrouwen niet altijd even makkelijk was om het ver te schoppen in de wetenschap. ‘Meer dan twintig jaar geleden werkte ik op een afdeling – niet bij het Amsterdam UMC overigens – waarbij schertsend gesproken werd van “de heren van de leiding en de meisjes van de werkvloer.” In die zin is de positie van vrouwen inmiddels wel veranderd. Tegenwoordig werken er binnen mijn vakgebied juist heel veel vrouwen, ook in de hogere posities.’

 

Toch heeft Frasen, net als Baronian, niet het idee dat er vanuit de universiteit een duidelijk en vanzelfsprekend pad wordt uitgestippeld, waarmee ambitieuze vrouwelijke onderzoekers richting het hoogleraarschap worden geholpen. ‘De hulp valt op een gegeven moment een beetje weg. Dit vraagt om een proactieve en strategische aanpak. Ik denk dat een mentorfiguur daar goed bij zou kunnen helpen. Iemand die je bijvoorbeeld sterkt in het gevoel dat ze op de universiteit echt wel op jou zitten te wachten.’

‘Naming and shaming. Hoe beroerd is het als je niet aan je eigen doelen voldoet?’
Rachel Spronk
Foto: Aya Abdan Kondori
Rachel Spronk

Zwangerschap

En dan is er ook nog het gezinsleven. Alleen al op het fysieke vlak hebben een zwangerschap en een bevalling natuurlijk een grote invloed op vrouwen, zo benadrukt ook hoogleraar antropologie Rachel Spronk, gespecialiseerd in onder meer gender en seksualiteit.

 

‘Terugkeren na een zwangerschap is zwaar,’ zegt Spronk. Ze kan erover meepraten; zelf kreeg de hoogleraar na haar eigen zwangerschap extra tijd van wetenschapsfinancier NWO om een onderzoeksvoorstel in te dienen, waarvoor ze uiteindelijk een beurs zou krijgen. ‘Dat beleid van NWO heeft er bij mij echt toe geleid dat het me gelukt is. Als ik die extra tijd niet had gekregen, zou ik niet voldoende hersteld zijn geweest. Dat heeft dus echt effect, zoiets zou de UvA zeker ook kunnen doen.’ Uit een eerder Folia-artikel bleek overigens al dat zwangere wetenschappers ook tijdens hun promotie al een oneerlijke achterstand kunnen oplopen, omdat zij geen extra tijd krijgen.

Beleid

Zelf zegt de UvA over het streefcijfer het volgende: ‘De UvA investeert in maatregelen die de universiteit een nóg aantrekkelijkere werkgever moeten maken. Denk aan loopbaanbegeleiding, leiderschapsontwikkeling, transparante benoemingsprocedures en aandacht voor werk-privébalans. Facultaire plannen vormen hierbij de basis: elke faculteit werkt aan een eigen aanpak die past bij de lokale situatie en uitdagingen. Daarbij verkennen faculteiten ook onderlinge samenwerkingen.’  

Daarnaast noemt Spronk ook de overgang als potentieel ingewikkelde horde die vrouwen moeten nemen. ‘Het is een levensfase die lichamelijk veel impact heeft, en vaak precies in de periode plaatsvindt waarin je misschien wel hoogleraar zou willen worden. Een taboeonderwerp waar de Centrale Ondernemingsraad ook vaker aandacht aan besteedt.’

 

Hoewel ze erkent dat het nog een hele klus voor de UvA zal worden het streefcijfer voor 2030 te halen, heeft het formuleren van zo’n ambitieus doel volgens Spronk wel degelijk zin. ‘Naming and shaming. Hoe beroerd is het als je niet aan je eigen doelen voldoet? Het is dus goed dat die cijfers allemaal inzichtelijk worden gemaakt. Zo zien we de hele doorstroom, ook waar de aanwas stagneert, en waar dus beleid nodig is.’ Haar laatste advies: denk niet in ad hoc oplossingen, maar neem de tijd voor een langetermijnplan. ‘Dit los je niet zomaar even snel op.’

website loading