Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
Oud-student en emeritus hoogleraar Chan Choenni.
Foto: Romain Beker.
actueel

Hoogleraar Chan Choenni over de ‘opgedrongen’ Surinaamse onafhankelijkheid

Tijmen Hoes Tijmen Hoes,
25 november 2025 - 08:00

Tijdens zijn jeugd in Paramaribo was Chan Choenni (72) niet anders gewend; Suriname was onderdeel van Nederland. Maar toen de emeritus-hoogleraar geschiedenis en surinamistiek later als jongeman naar Amsterdam zou verhuizen, maakte hij als UvA-student de Surinaamse onafhankelijkheid van 25 november 1975 mee. Vijftig jaar later blikt hij terug.

Het is deze maand precies vijftig jaar geleden dat Suriname onafhankelijk werd. Ten tijde van uw geboorte, in 1953, was Suriname dus nog een kolonie van Nederland.

‘Dat klopt. In 1954 werd Suriname pas een gelijkwaardig rijksdeel van het Koninkrijk der Nederlanden. Dat hield in dat er enige mate van zelfstandigheid kwam, maar buitenlandse zaken en veiligheid bleven in handen van Nederland.’

 

‘De discussie rond de onafhankelijkheid barstte in eerste instantie los rond een paar radicale nationalisten in Nederland, in Suriname speelde dat onderwerp op dat moment nog helemaal niet zo sterk. Er is toen een hoop discussie in het land ontstaan, omdat een groot deel van de Surinaamse bevolking tegen de onafhankelijk was. Het probleem was alleen dat er ook een heel actieve, luidruchtige minderheid was die vóór was. Daarnaast paste het ook in de wereldwijde trend van dekolonisatie. Nederland wilde van haar koloniën af, omwille van haar reputatie.’

 

U zegt dus dat men er in Suriname helemaal niet per se op zat te wachten om onafhankelijk te worden?

‘Inderdaad, de meerderheid was tegen. Men was in Suriname over het algemeen zeer koningsgezind, en wilde bij Nederland blijven. Er was wel een kleine, vocale groep die onafhankelijk wilde worden, maar dat was een minderheid. In Nederland is men daar vooral in mee gegaan omdat men dat zelf graag wilde. De onafhankelijkheid is opgedrongen. Het kwam te vroeg en de bevolking was ertegen.’

 

Hoe werd er tijdens uw jeugd in Suriname over dit onderwerp gedacht?

In de jaren ‘50 was Suriname sober, maar in de jaren ‘60 ontstond er steeds meer welvaart, het land ging erop vooruit. De verhoudingen tussen de verschillende bevolkingsgroepen waren goed en Suriname behoorde tot de beter presterende landen in Zuid-Amerika. Maar doordat er eind jaren ‘60 een leider aan de macht kwam die sterk voor de onafhankelijkheid was ontstond er polarisatie. Nederland heeft die ontwikkeling toen gestimuleerd.’

‘Ik vond dat Suriname beter af was met Nederlandse hulp.’
Foto: Romain Beker
‘Ik vond dat Suriname beter af was met Nederlandse hulp.’

En daarmee Suriname dus in een periode van onrust doen belanden?

‘Ja, Nederland heeft Suriname in een onzekere situatie zelfstandig verklaard. Er is drie miljard gulden cadeau meegegeven, maar dat is in de verkeerde zakken terechtgekomen en slecht besteed.’

 

In 1972, drie jaar voor de onafhankelijkheid, verhuisde u naar Amsterdam om hier aan de UvA te studeren. Hoe was dat?

‘In die periode was Nederland heel links. Ik wilde politie-inspecteur worden, maar men zei me dat dat heel rechts was en burgerlijk, dat moest je vooral niet willen zijn in die tijd. Het was ook de tijd dat termen als de derde wereld en dekolonisatie opkwamen, de hippiejaren. In die golf werd ik meegezogen. Ik ben politicologie en wetenschapsfilosofie gaan studeren, en heb volop genoten van mijn studentenbestaan in Amsterdam.’

 

Was u als Surinaamse man een uitzondering aan de UvA?

‘Nee, er kwamen van oudsher al vrij veel Surinamers naar Nederland om aan de UvA te studeren, het was een soort hotspot. Hoogleraren vonden ook dat Surinaamse studenten het over het algemeen heel goed deden. We hadden echt een goede reputatie. Daarnaast was ik in mijn jeugd in Paramaribo als hindoestaan ook al gewend tot een minderheidsgroep te behoren. Daardoor was ik in staat met allerlei verschillende soorten mensen om te gaan. Ik werd totaal geaccepteerd en heb van discriminatie aan de UvA niets gemerkt, ik was heel geliefd.’

 

Werd er in die jaren al een debat aan de UvA gevoerd over dekolonisatie?

‘Zeker. Het was de linkste tijd, dus iedereen was enorm voor de onafhankelijkheid van Suriname. Men vond dat Suriname werd uitgebuit en bevrijd moest worden. Die discussies waren er wel. Er liepen veel studenten op de UvA rond die voor de onafhankelijkheid van Suriname pleitte.’

 

Maar u was dus tegen.

‘Ik was inderdaad niet voor de onafhankelijkheid, omdat ik vond dat Suriname beter af was met Nederlandse hulp.’

‘Ik werd, nadat het Nederlands elftal een wedstrijd had gewonnen, ineens omarmd en gezien als landgenoot’

Uiteindelijk kwam het er toch van. Hoe werd dat bij de Surinaamse gemeenschap in Amsterdam ontvangen?

‘Een deel was blij, want Suriname was vrij. Maar een ander deel geloofde niet in die toekomst. Ik hoorde bij die laatste groep. Hier en daar heb ik dat toen ook wel laten weten, maar je werd zo overvleugeld door mensen die voor waren, dat het niet zoveel zin had om dat te zeggen. Maar wat interessant is: de mensen die lange tijd zeer vocaal voor de onafhankelijkheid hebben gepleit, zijn uiteindelijk veelal in Nederland gebleven. Ze hebben van de daken geschreeuwd dat Suriname onafhankelijk moest worden, maar zijn niet teruggegaan. Daar zit een soort dubbelzinnigheid in. Zelf wilde men niet de moeite doen terug te gaan om het land op te bouwen.’

 

Merkte u dat er vanaf het moment van de onafhankelijkheid anders naar Surinamers werd gekeken?

‘In eerste instantie verslechterde de reputatie, omdat er veel jonge Surinaamse mannen naar Nederland kwamen, die in de drugscriminaliteit belandden. Er werd flink geblowd en er was veel maatschappelijke overlast. Er was dus niet meteen sprake van emancipatie van Surinamers in Nederland, die kwam eigenlijk pas in de jaren ’90 echt op gang. In die tijd ontstond er meer werkgelegenheid en werden er meer woningen gebouwd, maar ook Surinamers die succesvol waren in de voetballerij speelden een belangrijke rol. Ik werd, nadat het Nederlands elftal een wedstrijd had gewonnen, ineens omarmd en gezien als landgenoot. In de jaren daarna is de aandacht verschoven naar de islam en de moslims. Daardoor konden Surinamers rustig verder integreren.’

 

U bent werkzaam geweest bij de universiteiten van Leiden en Utrecht, en werd uiteindelijk hoogleraar surinamistiek bij de VU. In die jaren kwam er in de wetenschap steeds meer aandacht voor onderwerpen als het koloniale verleden. Ook de UvA doet nu onderzoek naar haar eigen rol daarin. Hoe kijkt u daarnaar?

‘Dat onderwerp wordt steeds belangrijker. Logisch, want een kwart van de Nederlanders is niet van autochtone herkomst, in de grote steden is dat zelfs de helft. Maar hoewel een thema als het kolonialisme nu steeds belangrijker wordt gevonden, zien we dat het aantal allochtonen studenten aan de UvA lager ligt dan bijvoorbeeld aan de VU. Dat is een interessant verschijnsel.’

 

Hoe komt dat denkt u?

‘Ik denk dat er bij de VU, door de christelijke houding, van oudsher meer een sfeer was van vriendelijkheid naar Surinamers en andere religieuze groepen. Terwijl de UvA, met name in de sociale wetenschappen, altijd een links profiel heeft gehad, en dus alleen de linkse studenten aantrok.’

 

Dus ook vijftig jaar nadat u er als Surinaamse jongeman studeerde, is er aan de UvA nog wel wat te winnen op het gebied van emancipatie?

‘Ja, de emancipatie van minderheden, allochtonen, Surinamers of hoe je het ook noemen wilt; op dat terrein loopt de UvA eigenlijk heel erg achter vergeleken met andere universiteiten.’

website loading