Altijd al willen weten hoe het officiële handgebaar voor Almere eruit ziet? In het kader van Werelddovendag keek Folia een dagje mee bij de enige bachelor gebarentaal van Nederland: ‘Het kost veel concentratie en energie, maar het is vooral erg leuk.’
Het zal je misschien verbazen, maar ook Sint-Michielsgestel, een dorpje in de buurt van Den Bosch, is vertegenwoordigd in de lexicon van de Nederlandse gebarentaal. Een groep studenten kijkt gefocust toe hoe hun docent begint het gebaar voor te doen door een kruisje te slaan, en schiet vervolgens in de lach. ‘Sint-Michielsgestel, wat is dat überhaupt?,’ fluistert een van hen stiekem richting haar buurvrouw. Niet veel later is het weer muisstil in het lokaal. We zijn te gast bij een les Language Proficiency Sign Language of the Netherlands 1, en daarbij wordt niet gesproken.
De collegereeks waarbij de leerlingen kennismaken met de eerste 800 gebaren uit de Nederlandse gebarentaal, fungeert als introductie van een zesdelige serie vakken, verspreid over twee jaar tijd, en is onderdeel van de enige bachelor-studie Gebarentaal van Nederland, te volgen aan de UvA. Met Werelddovendag voor de deur (deze zaterdag, voor wie dat niet scherp had), is dit dus het uitgelezen moment om eens een kijkje te nemen bij de opleiding.
Tien minuten voor aanvang van de werkgroep loop ik de klas in. Ook de eerste studenten druppelen langzaam binnen, en nemen in stilte plaats aan de lange, oranje, U-vormige tafel die midden in het lokaal staat. Net wanneer ik me voor wil stellen zie ik op het whiteboard de regel staan waar de zestien studenten overduidelijk al bekend mee zijn: ‘tijdens de les gebruiken we geen stem.’ Dus zoek ik zwijgend naar een plekje achterin het lokaal op de begane grond van het P.C. Hoofthuis.
Dom gebaar
Maar wanneer ik zit, wint de nieuwsgierigheid het toch van de gehoorzaamheid, dus vraag ik de twintigjarige Carmen Eckhardt fluisterend waarom ze voor deze bijzondere opleiding heeft gekozen. ‘Ik wil later graag met kinderen werken, ook kinderen die non-verbaal zijn, dus leek het me handig om een basis van de gebarentaal te beheersen,’ legt ze uit.
Het vak bevalt haar goed, al worden zij en haar medestudenten wel direct in het diepe gegooid: ‘Dat er niet gepraat wordt tijdens de lessen was de eerste keer heel raar, maar het went wel. Uiteindelijk leer je op deze manier heel snel veel nieuwe gebaren, volgens mij hebben we er al 300 gehad.’ Haar favoriet tot nu toe? Ze tikt met haar wijs- en middelvinger tegen haar duim: ‘Dat betekent “vreemd”. Leuk, omdat het gewoon zo’n dom gebaar is.’
Dan gaat de les van start, en docent Marijke Scheffener lijkt te gebaren dat we beginnen met een soort spelletje. Een voor een wijzen de studenten elkaar aan, om vervolgens een zinnetje van vier of vijf gebaren in elkaars richting te maken. En eigenlijk heb ik al meteen geen flauw idee waar ik nu precies naar kijk. Pas wanneer er na een minuut of tien, bij wijze van oefenzin, blijkbaar wordt gevraagd om een kop koffie, en de docent haar mok lachend naar de leerling van wie het verzoek kwam toe brengt, kan ik voor het eerst raden wat er zojuist is gezegd.
Almere
De ene student heeft er duidelijk plezier in, en gebaart vol overgave, terwijl de ander nog wat aarzelend moet opstarten, maar in alle gevallen geldt: het gaat vrijwel volledig langs mij heen. Het ene moment wordt er op de borst geklopt, dan weer slingeren de handen langs het lichaam of wordt er met vingers tegen de wang geduwd. Zonder enige kennis van zaken kom ik niet ver. Tot er ineens een voorbeeldzin op het bord verschijnt: ‘Ik ga een boek lezen’. En ja, inderdaad, dat denkbeeldige boek in de handen van Scheffener is best een duidelijk gebaar, als je het weet.
Vervolgens worden de studenten opgesplitst in groepjes van vier, tijd om zelf te oefenen. De gesprekjes die ze voeren hebben wel iets weg van een voorstelrondje, blijkt wanneer iemand Scheffeners hulp inschakelt. Wat het gebaar is voor Almere, luidt de vraag. Het blijkt te gaan om een diagonale beweging van de hand omlaag – die moet dus de ‘A’ voorstellen – gevolgd door een golfje – het ‘meer’.
Concentratie en energie
In de hoek van het lokaal maakt de 24-jarige Shen van Bezooijen druk aantekeningen. Gewoon met pen en papier, welteverstaan. In deze klas geen spoor van de beruchte bureau’s vol laptops, die even vaak worden gebruikt voor het maken van notities, als voor het bijkletsen via de webversie van Whatsapp. Tijdens deze bijzonder interactieve anderhalf uur is niet meedoen echt geen optie. ‘Het is een vermoeiend vak omdat je echt constant moet meedoen’, legt Van Bezooijen uit. ‘Dat kost veel concentratie en energie, maar het is vooral erg leuk.’
Het zaadje werd bij hem al op negenjarige leeftijd geplant, toen de student op scouting in aanraking kwam met een dove jongen. ‘Samen met z’n moeder vertelde hij ons daar over, en leerde hij ons een paar gebaren. Dat heb ik altijd in m’n achterhoofd gehouden. Ik studeer ook pedagogische wetenschappen, en vind dat slechthorende kinderen in het onderwijs een beetje achterblijven. Ik hoop dat ik op deze manier een bijdrage kan leveren aan een inclusiever onderwijs.’
Even later zijn de kleuren aan de beurt. Een voor een gaan we het lokaal rond, waarbij de verschillende tinten van ieders kledingstukken worden langsgegaan. Een blauwe broek hier, een grijs vest daar. Het gaat best voorspoedig, totdat Scheffener opmerkt dat de verslaggever in de hoek van de klas er nu net deze ochtend voor heeft gekozen om een veelkleurige wollen trui uit de kast te trekken. De docent grijpt zichzelf quasi-wanhopig naar het hoofd en begint aan een opsomming waarbij de halve regenboog zijn opwachting maakt, maar bedenkt zich dan. Ze draait zich naar het bord, en grijpt het moment aan om de studenten kennis te laten maken met het gebaar voor het woord ‘veel’, een stuk efficiënter.
Webcam
Tijdens het laatste deel van de les wordt er individueel geoefend op de computers die in het lokaal staan. Het is de bedoeling dat de studenten een kort zinnetje bedenken en opnemen met hun webcam. Wanneer vervolgens alle filmpjes klassikaal worden teruggekeken op het grote scherm, kunnen de studenten wel door de grond zakken van schaamte, en wordt er ongemakkelijk gegniffeld. Niet vreemd natuurlijk, ze zijn ten slotte nog maar een paar weken bezig en moeten duidelijk nog wennen aan de mores van het vak. Maar de wil om te oefenen, die is duidelijk aanwezig. De verleiding om af en toe wat te kletsen is soms groot, en zo nu en dan wordt er heus wel eens iets heen en weer gefluisterd, maar het gros van de tijd gaan zelfs de giechelige onderonsjes toch voornamelijk in gebarentaal.
Tegen het einde van de les loopt de docent nog eens mijn kant op. Of ik het een beetje heb kunnen volgen? Nauwelijks. ‘Moeilijk hè?,’ zegt ze lachend terwijl ze weer terug loopt naar haar bureau. Deze codetaal is niet binnen een middagje te kraken.