Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
Dispuutsgenoten in het Viator dispuutshuis in de oorlogsjaren.
Foto: Persoonlijke collectie Douwe L. Radsma, NIOD
actueel

Met de opheffing in 1941 liet het Amsterdamse corps zien dat je ‘nee kon zeggen tegen de Duitsers’

Lisa Boshuizen Lisa Boshuizen,
1 mei 2026 - 11:30

Op 4 mei denken we terug aan de oorlogsjaren. De ontbinding van het Amsterdamse studentencorps in 1941 laat zien dat studenten het voortouw namen in het verzet tegen de Duitse bezetter. ‘Dat viel zelfs de Duitsers op.’

Het is dit jaar 85 jaar geleden dat ASC en AVSV (toen nog twee losstaande studentenverenigingen) hun deuren sloten. Zij mochten namelijk geen Joodse studenten meer toelaten. ‘De uitsluiting van Joodse studenten was zo’n grove schending van Nederlandse waarden dat het corps zich genoodzaakt voelde zich op te heffen,’ laat Jasmijn Fernandes, huidig bestuurslid bij ASC/AVSV, weten. ‘Dit geldt nog altijd als een bepalend moment in de geschiedenis van de vereniging.’


Voorafgaand aan de Nederlandse bezetting had de studentenvereniging zich niet hard tegen het Duitse nationaal-socialisme uitgesproken, maar met de opheffing in 1941 namen zij een nadrukkelijk standpunt in. ‘In Amsterdam waren zij een van de eersten en de duidelijksten,’ legt Jeroen Kemperman, onderzoeker aan het NIOD, uit. In 2018 schreef hij een boek over het studentenverzet in de Tweede Wereldoorlog.

‘Het was eerder een collectieve uiting van afkeer van de Duitse bemoeienis dan een poging om het tragische lot van de Joodse medestudenten af te wenden’

Hét verzet tegen de Duitsers

Zelf verklaarde de vereniging dat zij in Amsterdam ‘het belangrijkste verzet waren tegen de Duitsers.’ Dit staat beschreven in het boek Geschiedenis van het Amsterdams Studentenleven 1932-1962 dat het ASC in 1962 publiceerde. ‘Zij vonden zelf dat zij een leidende rol hadden in het Amsterdamse studentenverzet,’ beaamt Kemperman. ‘Daar zit een kern van waarheid in. Andere verenigingen namen een voorbeeld aan de corpora. De principiële houding van het ASC inspireerde andere verenigingen in Nederland om zich ook op te heffen.’


In Leiden en Delft waren een jaar eerder al stakingen en studentenprotesten ontstaan. In Amsterdam heerste op dat moment ‘een minder resolute stemming.’ Maar toen in die studentensteden de bezetter maatregelen nam, kwam de leidende rol bij Amsterdam te liggen. ‘Leiden en Delft waren toen min of meer uitgeschakeld. In Leiden mochten de studenten al geen les meer volgen,’ vertelt Kemperman. Verzet binnen de kaders van de schoolinstellingen ontstond al eerder, maar de opheffing van het ASC en AVSV was in Amsterdam een kantelpunt voor het studentenverzet. ‘De verenigingen begonnen in te zien dat met de ouderwetse middelen niets bereikt kon worden.’

 

Weinig solidariteit

Op 28 oktober 1941 kwam de vereniging bijeen tijdens ‘de grote opheffingsvergadering.’ Met een duidelijke meerderheid werd besloten de vereniging te ontbinden. Na afloop vloeide de drank rijkelijk en werden bezittingen vernield. ‘De piano mocht niet in Duitse handen vallen,’ schreef het ASC in haar geschiedschrijving.


David Cohen, de voorzitter van de Joodse Raad van Amsterdam, vreesde voor de negatieve gevolgen die de opheffing kon hebben voor de Joodse leden. Voorafgaand aan het besluit ging hij in gesprek met de senaat en verzocht hij hen ervan af te zien. Hier werd geen gehoor aan gegeven.


De verzetsuiting kan niet worden gezien als een concrete vorm van solidariteit naar de Joodse leden, betoogt Kemperman. ‘Het ging om het zelfbeeld van de studentenorganisaties. Zij vonden dat zij zelf mochten bepalen wie er lid mochten worden. Het is meer een collectieve uiting van afkeer van de Duitse bemoeienis geweest dan een poging om het tragische lot van de Joodse medestudenten af te wenden.’ De vereniging deed volgens hem verder weinig voor hun Joodse leden, zoals het houden van inzamelingsacties. Wat de beweegreden ook was, de studentenvereniging nam een voorbeeldfunctie in en ‘liet zien dat je wel degelijk nee kon zeggen tegen de Duitsers’. Het studentenverzet is essentieel geweest om de samenleving te inspireren en ‘een morele boost’ te geven, aldus Kemperman.


Niet alle verenigingen maakten dezelfde keuze als het Amsterdamse corps. Kemperman: ‘De meeste verenigingen hebben zichzelf in 1941 opgeheven, maar een aantal bleef een soort sluimerend bestaan leiden.’

‘Het is opmerkelijk dat het juist de studenten waren die zich durfden uit te spreken. Dat viel de Duitsers ook op’

Activisme is typisch voor studenten

Na 1941 gingen de verenigingen ‘officieus’ door. De vriendschappen, disputen en vertrouwensbanden die het verenigingsleven kenmerkten, waren een katalysator voor het studentenverzet. Kemperman: ‘Als een student in het verzet wilde, begon die logischerwijs vaak bij een medestudent. Je ging op zoek naar mensen die je vertrouwde.’ Onderduikers werden gehuisvest in verenigingshuizen, disputen verzamelden persoonsbewijzen en hielpen bij het stiekem vervoeren van wapens. En de vrouwelijke leden van AVSV werden regelmatig ingezet als koeriers. ‘Zij konden zich toen vrijer bewegen,’ vertelt Fernandes.


Het openbare verzet maakte plaats voor ondergrondse acties. In het ‘illegale verzet’ speelden de studenten een grote rol. Het was gevaarlijk om bij het verzet te gaan, vertelt Kemperman. ‘Je moest echt uit verzetshout gesneden zijn. Het is opmerkelijk dat het juist de studenten waren die zich durfden uit te spreken. Dat viel de Duitsers ook op.’


Waarom het juist de studenten waren die hun bek open trokken? ‘Je ziet nu nog altijd dat veel activisme afkomstig is van studenten,’ vertelt Kemperman. ‘Zij zijn maatschappelijk nog niet zo ingebed, hebben nog geen grote verantwoordelijkheden en geen gezin of positie om te beschermen. Elke situatie is anders, maar studenten kunnen vaak vrijer en autonomer optreden.’


Dit is bij het ASC/AVSV volgens Fernandes niet veranderd. ‘De vereniging stimuleert maatschappelijke betrokkenheid onder haar leden. De rode draad blijft hetzelfde: je moet je verantwoordelijkheid nemen in de samenleving.’

website loading