Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
Foto: Daniël Rommens
actueel

Protest tegen opheffing Leibniz Instituut en Bonger Instituut

Dirk Wolthekker,
30 maart 2017 - 16:36

De ondernemingsraad (OR) van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid is het niet eens met de plannen om het het Leibniz Instituut voor rechtsinformatica en het multidisciplinaire Bonger Instituut voor criminologie op te heffen. Dat is een onderdeel van de voorgenomen reorganisatie van de faculteit die decaan André Nollkaemper wil doorvoeren.

OR-voorzitter Dirk Korf, directeur van het op te heffen Bonger Instituut, heeft namens de OR een uitgebreide reactie gestuurd op het voorgenomen besluit de faculteit te reorganiseren. Daarbij worden verschillende deelinstituten opgeheven of overgeheveld naar een andere universiteit of afdeling. De noodzaak van opheffing van het Ethiopië instituut, de overheveling van het Centrum voor energievraagstukken naar een andere universiteit, de integratie van het Amsterdams Instituut voor Arbeidsstudies (AIAS) in de afdeling arbeidsrecht en de verkenning van een doorstart voor het Eggens instituut heeft het faculteitsbestuur volgens de OR ‘aannemelijk’ gemaakt. Dat geldt niet voor het afstoten van het Leibniz Instituut en het Bonger Instituut.

 

Strategisch belang

De decaan wil beide instituten afstoten omdat het onderzoek dat er wordt verricht, niet tot de kernactiviteiten van de faculteit zou behoren, maar de OR vindt dat geen goed argument. ‘Voor beide instituten geldt dat hun huidige werkzaamheden in nauw overleg met de vorige decaan zijn vormgegeven. Dat zij, mede hierdoor, niet direct aansluiten bij de kern van de faculteit kan hen dan ook niet worden aangerekend.’

 

De raad adviseert de decaan om deze instituten de mogelijkheid te bieden opnieuw aansluiting te vinden bij de kernactiviteiten van de faculteit. ‘Een eventueel financieel risico hierbij moet niet bij individuele afdelingen worden neergelegd, maar door de faculteit worden gedragen.’ De OR vindt dat er des te meer redenen zijn om beide instituten te handhaven omdat interdisciplinariteit en het binnenhalen van onderzoeksubsidies uit de tweede en derde geldstroom door het faculteitsbestuur van groot strategisch belang worden geacht. ‘Zowel het Leibniz- als het Bonger Instituut zijn hiervan overtuigende voorbeelden.’

 

De OR heeft in haar reactie op de reorganisatie overigens laten weten ‘in hoofdlijnen’ akkoord te gaan met de manier waarop de reorganisatie wordt vormgegeven.