Foto: Henk Thomas (Folia)
actueel

Advies: ‘Jaarcontracten in de ban, tijdelijke aanstelling naar 2 jaar’

Dirk Wolthekker,
14 april 2016 - 09:13

De tijdelijke Commissie Personeel heeft een adviesLees hier het volledige advies in pdf. opgesteld om paal en perk te stellen aan de ‘doorgeschoten flexibilisering’ van de personeelsaanstellingen aan de UvA. ‘Zowel bij managers als bij hoogleraren als bij personeel & organisatie moet een cultuur ontstaan van fatsoenlijk personeelsbeleid.’

Verbetering van het personeelsbeleid is onderdeel van het tienpuntenplan zoals dat vorig jaar door het college van bestuur (CvB) is vastgesteld. Daarin staat onder punt acht kort en bondig: ‘Paal en perk stellen aan tijdelijke arbeidscontracten’. Daar waren er de afgelopen jaren nogal wat van en dat leverde nogal wat onvrede, onrust en onzekerheid op bij mensen die op basis van een dergelijk contract een onderwijs- en onderzoekstaak moesten vervullen. Inmiddels is – mede door de demonstraties van vorig jaar – het tij gekeerd.

 

Structureel werk

Het nieuwe personeelsbeleid van de UvA zal volgens de commissie een aantal uitgangspunten moeten hebben, waarvan de kern is dat structureel werk voortaan zal worden uitgevoerd door mensen met een vaste aanstelling voor onbepaalde tijd. Belangrijk daarbij is wat wordt verstaan onder ‘structureel werk’. Het is een term die voor meerdere uitleg vatbaar is, maar de commissie verstaat er onder ‘het geven van onderwijs binnen het reguliere curriculum’.

 

Onderwijs dat (nog) niet binnen het reguliere curriculum valt, zoals bij nieuwe opleidingen waarvan niet direct duidelijk is of en hoeveel studenten die trekken, levert ‘in beginsel geen structureel werk’ op, meent de commissie. Niettemin geldt voortaan dat ‘langdurig en oneigenlijk gebruik van niet-vaste dienstverbanden zo veel mogelijk moet worden voorkomen’.

 

Zestig procent vast

De zogenoemde ‘flexibele schil’ –  het percentage tijdelijke aanstellingen dat ervoor zorgt dat opleidingen waar (tijdelijk) geen vraag naar is niet met te veel vast personeel worden geconfronteerd – moet volgens de commissie omlaag, want die is de laatste jaren gigantisch uitgedijd. UvA-breed was eind 2015 slechts tien procent van de onderzoekers in vaste dienst en veertig procent van de docenten (beide gerekend in fte).

 

Dat is veel te weinig, meent de commissie, die meent dat de flexibele schil helemaal ‘uit balans’ is geraakt. Van het wetenschappelijk personeel in de lagere regionen – docenten en onderzoekers – en voor personeel onder de 45 jaar, zou zestig procent eigenlijk een vast dienstverband moeten krijgen. Detacherings- en uitzendconstructies moeten bovendien overboord gezet worden.

Wie toch tijdelijk in dienst is of blijft, moet in elk geval ontwikkelingskansen krijgen, zoals het volgens van BKO om zijn kansen voor een vaste aanstelling te verhogen

Het aan elkaar knopen van tijdelijke aanstellingen van steeds een jaar moet volgens het advies ook afgelopen zijn. Tijdelijke aanstellingen moeten voortaan ‘zoveel mogelijk voor de duur van twee jaar’ worden afgesloten en een omvang hebben van minimaal 0,5 fte, vijftig procent van een maximale aanstelling. Tijdelijke aanstellingen en inhuur van uitzendkrachten moeten bovendien voortaan verplicht worden gemotiveerd. Daarnaast moet de doorstroom van tijdelijk personeel naar een vast dienstverband worden bevorderd door middel van een ‘interne arbeidsmarkt’, waarbij niet langer hoeft te worden geconcurreerd met sollicitanten uit de gehele externe arbeidsmarkt. Wie toch tijdelijk in dienst is of blijft, moet in elk geval ontwikkelingskansen krijgen, zoals het verkrijgen van een BKOHet gaat hier om de Basiskwalificatie Onderwijs, die iedere docent aan de UvA in beginsel moet hebben gevolgd., om zijn kansen voor een vaste aanstelling te verhogen. Voor het verkrijgen van een vaste aanstelling moet het ook afgelopen zijn met oneigenlijke selectiecriteria als ‘het kunnen verwerven van subsidies’.

 

Eén juridische werkgever

De UvA moet weer een goede werkgever worden is de centrale gedachte in het rapport. Om dat mogelijk te maken moeten de verschillende personeelsafdelingen ‘centraal worden aangestuurd’ waardoor de UvA voortaan ‘als één juridische werkgever’ optreedt en niet elke afdeling of instituut afzonderlijk, want dat leidt bijna automatisch tot een ratjetoe aan beleid en aanstellingen. Maar het is niet alleen een kwestie van structuur, ook van cultuur. ‘Zowel bij managers als bij hoogleraren als bij personeel & organisatie moet een cultuur ontstaan van fatsoenlijk personeelsbeleid,’ meent de commissie. Leidinggevenden die dat niet kunnen moeten geschoold worden ‘in zorgvuldig personeelsbeleid’.

 

Het is nu aan het CvB om zich een mening te vormen over de aanbevelingen van de commissie, die onder leiding staat van COR-lid Iris Breetvelt.