De jaarlijkse poëzieweek staat weer voor de deur, met dit keer als thema: metamorfose. Connaisseurs kunnen vanaf komende donderdag hun hart ophalen, maar voor de leek rijst vooral de vraag: hoe schrijf je eigenlijk een goed gedicht? Om daarachter te komen ging Folia een avond in de leer bij dichter Hannah van Binsbergen.
Het aanbod van Crea kent voor ieder wat wils, en dus is het geen verrassing dat ook liefhebbers van het geschreven woord bij het cultureel centrum op de Roeterseilandcampus terechtkunnen voor een cursus. De wekelijkse bijeenkomsten – tien stuks in totaal – waarin de pupillen kennis maken met de beginselen van de poëzie, worden georganiseerd door Hannah van Binsbergen. De dichter studeerde filosofie aan de UvA, bracht in 2016 haar debuutbundel Kwaad Gesternte uit, en doceert nu al zo’n drie jaar bij Crea.
Oldenzaal
En dus staat er ook deze winter, vlak voor aanvang van de poëzieweek, weer een nieuwe lessenreeks op het programma, waarbij een handvol Crea-cursisten hun innerlijke poëet hoopt te doen ontwaken. Het is kwart voor zes wanneer Van Binsbergen – blauw overhemd, geruite blazer en zilverglanzende gesp – de eerste cursusavond opent met een gedicht uit haar meest recente gedichtenbundel Kokanje. Pennen en kladblokjes verschijnen al snel op tafel. Aan de muur van het verder weinig inspirerende lokaaltje onder systeemplafond hangt een aantal gedichten. Verder moeten de cursisten het echt van hun eigen creativiteit hebben.
Maar zo eenvoudig is dat nog niet, want waar begint een goed gedicht eigenlijk mee? ‘Poëzie kan soms al beginnen bij één simpele zin,’ suggereert Van Binsbergen. ‘Die ene zin die al een tijdje in je hoofd woont en daar niet meer zomaar verdwijnt.’ Ze geeft een voorbeeld: ‘Solidariteit houdt op bij Oldenzaal.’ Ze gniffelt. ‘Heb ik ooit eens ergens gelezen, en het is blijven hangen.’
Broers die elkaar anders nooit omarmen
vallen elkaar in de armen
ongemakkelijk, maar mooi
en jij kijkt toe
Te lange zoenen van geliefden
smelten nu eindelijk in elkaar
na maanden aan gemis
en jij kijkt toe
Bezorgde oma’s in vertrekhallen
Ballonnen in de giftshop, gezinnen bij la place
CO2 uitstoot en onbehaalde klimaatdoelen
jij kijkt toe
jij kijkt toe
In jou voelt de wereld anders
een massa aan mensen, een wirwar aan talen
borden hier, announcements daar
uren in de rij en toch zo snel afscheid
het begin en het eind, samengeweven in een complexe wals
en jij kijkt toe
ook vandaag
Wie spreekt tegen wie?
Maar nog voor die eerste zin op papier staat, snijdt Van Binsbergen een stukje theorie aan. De eerste cursusavond staat namelijk in het teken van de vraag: wie spreekt in een gedicht tegen wie? Waar staat de lezer ten aanzien van de tekst, en de schrijver? ‘Vaak heeft de dichter het helemaal niet tegen de lezer, maar spreekt hij tegen een verre geliefde, het systeem, of tegen een ander abstract begrip,’ legt Van Binsbergen uit. ‘Dat betekent dat gedichten niet worden gehoord, maar worden afgeluisterd. Die afstand tussen dichter en lezer maakt poëzie ingewikkeld, maar ook interessant.’ Kortom: de recht-op-het-doel-af-strategie die in een roman heel gewoon is, kan een beginnend dichter maar het best zo snel mogelijk vergeten.
Na een technisch eerste uur is het halverwege de les tijd voor de praktijk. ‘Jullie krijgen nu vijftien minuten de tijd om een apostrof te schrijven,’ luidt de opdracht. Zenuwachtige blikken gaan rond. ‘En vervolgens gaan jullie dat klassikaal voordragen.’ Het aantal angstige gezichten neemt verder toe, maar Van Binsbergen heeft nog wel een tip om de gemoederen wat te bedaren: ‘Denk niet te lang na over je eerste zin. Je moet gewoon iets op papier hebben. Wat er niet staat, kan je ook niet redigeren.’
Rijmdwang
Terwijl de cursisten verwoed met hun tekst aan de slag gaan, vertelt Van Binsbergen verder over de grondslagen van de dichtkunst. ‘Later in de cursus gaan we aan de slag met elementen als vorm, ritme en klank, maar wat in de klassieke opvatting van poëzie vooral centraal staat is het metrum. Het ritme waarin je spreekt, dat tot stand komt aan de hand van de klemtonen die je gebruikt. In ieder gedicht moet je nadenken over hoe je dat metrum inzet. Dat is echt het skelet van het gedicht.’
In de grond
Boven de grond kan ook
Je rolde met je ruwe huid
over de heuvel
Eerst leek je even te twijfelen
Je schoonheid werd lang niet erkend
Een kostuum van Franse makelij werd
wel beroemd
Maar al veel eerder was je een muze
Opgepakt, geraapt lag je in een
rieten mandje
Oh alledaagsheid
‘Tijdens de cursus benadruk ik dan ook wel honderd keer dat het ritme veel belangrijker is dan bijvoorbeeld rijm,’ vervolgt ze. ‘Rijm is één van de vele keuzes die je met klank kan maken, maar je kan het ook prima links laten liggen. Tegen cursisten met serieuze rijmdwang zeg ik wel eens dat ze vijf lessen lang moeten proberen helemaal niet te rijmen, gewoon om te laten zien dat er zoveel meer mogelijk is.’
Intuïtief dichten
Ondertussen zijn de pupillen na een kwartiertje zwoegen klaar met hun tekst, en dus is het tijd voor de allereerste voordrachten van de cursus. ‘Doe vooral lekker rustig aan, en doe alsof hetgeen dat je voorleest extreem belangrijk is,’ klinkt het advies. Van Binsbergen hoort de gedichten – die worden opgedragen aan aardappelen, vliegvelden en sollicitatiegesprekken – geduldig aan, biedt handvatten waar gestruikeld wordt, en maakt complimenten waar indrukwekkende spelletjes met klank en betekenis worden gespeeld: ‘Door in zo’n korte tijd heel intuïtief te dichten, maak je vaak nog mooiere sprongen dan je tijdens het schrijven zelf doorhad.’
Ze geeft de cursus nu al voor de tiende keer, en hoopt vooral dat haar leerlingen aan het eind van de reeks kennis hebben gemaakt met de veelzijdigheid van poëzie. ‘Als ik heb kunnen laten zien dat poëzie veel meer is dan zij van tevoren dachten, ben ik tevreden.’
De gedichten in dit artikel zijn geschreven door cursisten tijdens hun eerste les.