Foto: Daniël Rommens
wetenschap

Promoveren op DNA-onderzoek: 'Je hunkert naar een mooie plaats delict'

30 november 2017 - 09:48

Anna Mapes (29) belichaamt de verbinding tussen praktijk en wetenschap. De promovenda bij het HvA-lectoraat forensisch onderzoek gaat op 1 december aan de slag als adviseur bij de politie, vandaag promoveert ze aan de UvA op de vraag hoe DNA-onderzoek het best kan worden ingezet bij misdrijven. ‘Mensen denken dat ik aan de lopende band lijken zie. Nee dus.’

Anna Mapes kijkt verontschuldigend als ze ons ontvangt op haar kale, sobere kantoor in een hoek van het HvA-gebouw De Leeuwenburg. ‘Dit is niet zo spannend he?’ Dat wordt snel anders als de promovendus met redacteuren en fotograaf de trappen afdaalt naar de kelders van het gebouw. Via enkele bunkerachtige gangen komen we op de ‘plaats delict’. Hier oefenen studenten forensisch onderzoek van de hogeschool in een nagebouwde crime scene met het stellen van onderzoeksvragen en het zoeken van (DNA)-sporen. Er ligt een losse autodeur met een kogelgat, in twee huiskamers zijn duidelijk misdrijven gepleegd en overal liggen glasscherven en bloed. ‘Ja, op deze deur is echt geschoten. Dit lijkt al iets meer op een plaats delict, toch?’ Een ideale locatie voor het interview, besluiten we.

 

Je gaat bijna promoveren. Hoe is dat?

‘Heftig. Je bent een paar jaar intensief bezig met een onderwerp, en toch ben je bang dat de woorden niet komen als je daar straks staat.’

Anna Mapes onderzocht voor haar proefschrift kort gezegd hoe politie en justitie bij opsporing en vervolging optimaal kunnen profiteren van zogeheten Rapid DNA-technologie. Een geavanceerde, snelle manier van DNA-sporen onderzoeken op een plaats delict, de plek waar een misdrijf is gepleegd. De techniek wordt binnenkort in de praktijk verder getest.

‘Als je te maken hebt met een serieverkrachter is snelheid essentieel.’

Mapes: ‘In een laboratorium werken we met meest gevoelige technieken, waarmee je van heel kleine hoeveelheden DNA een potentieel daderprofiel kunt maken. De Rapid-techniek gaat uit van snelheid: de gevoeligheid is minder. Stel je voor: je neemt een bloedspoor af met 80 picogram DNA (een picogram is een miljoenste van een miljoenste gram, red.]. De Rapid-techniek is afgesteld op minimaal 100 picogram. Dan raak je je bloedmonster kwijt, zonder dat er een profiel uitkomt. Dat is een zogeheten vals negatief, want als ik het in het lab had gedaan, was er wel informatie uitgekomen.’

 

Riskant. Hoe beslist een rechercheur of onderzoeker welke techniek hij gaat gebruiken?

Ze lacht: ‘Heb je soms mijn proefschrift gelezen? In mijn onderzoek heb ik rechercheurs dit dilemma voorgelegd. We zagen dat de rechercheurs heel veel sporen gingen analyseren, ook sporen met weinig DNA die dus niet geschikt zijn voor de Rapid-techniek.’

 

In welke situatie is Rapid-DNA de beste optie?

‘De vraag is: vind je mogelijk verlies van DNA-materiaal acceptabel? Als je te maken hebt met een serieverkrachter en het idee hebt dat hij die avond opnieuw gaat toeslaan, dan is tijd essentieel. Er is een risico dat je DNA verliest, maar de dader is nog op vrije voeten. De afweging is: snelheid of precisie. Ik noem het in mijn proefschrift de time-succes rate trade-off.’

‘Ik had al jong een hekel aan onrechtvaardigheid. Als ik op het schoolplein zag dat een kind iets afpakte, wilde ik dat naar boven halen: waarom is dat nou zo?’

Speelt de zwaarte van het delict ook een rol?

‘Nee. Ik denk dat we bijvoorbeeld ook met inbraken heel veel winst kunnen behalen. Van de 65.000 inbraken vorig jaar in Nederland is 10 procent opgelost. Inbreken loont, ook omdat het proces van DNA-analyse vrij lang duurt – gemiddeld 44 dagen. Zo’n inbreker heeft in die tijd al veel meer inbraken gepleegd. Het mooie van de Rapid-techniek is dat je DNA direct kunt analyseren en sneller tot een verdachte kunt komen.’

 

Hoe kom je van een DNA-profiel uit een spoor tot een verdachte?

‘Via een DNA-databank. Daar staan alleen mensen in die al een misdaad hebben begaan. Het DNA-profiel wordt door de databank gehaald, en daar komt bij een match – letterlijk – een naam uit van iemand die verdachte kan zijn.’

Mapes vertelt dat in Engeland wildplassen tegen een boom al voldoende aanleiding is voor DNA-afname. Dat kan in Nederland wettelijk niet.

 

Je bent zelf in Engeland geboren, maar woont en werkt in Nederland. Hoe zit dat?

‘Ik heb een Schotse vader en een Nederlandse moeder. Ze hebben elkaar ontmoet in Maleisië – mijn vader werkte daar in de olie-industrie. Hij reisde veel. Mijn moeder is ook echt een reiziger. Ze zijn via Schotland in Taunton in Zuid-Engeland terecht gekomen. Daar ben ik geboren, maar niet opgegroeid. Toen ik negen maanden was, besloten mijn ouders naar Nederland te gaan.’

 

Was je als kind voorbestemd om misdaadonderzoeker te worden?

‘Nou ja, ik was altijd gek op puzzelen, ik wilde dingen graag oplossen. Toen ik een jaar of vier was zei ik dat ik “defteftik” wilde worden. Ik kon het woord niet uitspreken, maar ik liet iedereen weten dat ik dat ging worden. Het was een romantisch idee, mijn vader las altijd alleen maar van dat soort boeken. Ken je Inspector Frost? Dat is een oude, onschuldige detectiveserie, die keek ik toen ik klein was. Ik was gefascineerd door de hoofdpersoon, een norsige oude man die zichzelf heel belangrijk vond. Niet dat ik zelf een norsig kind was, helemaal niet. Maar het heeft iets spannends. Dat rauwe randje. Ik was ook een beetje een rauw meisje – tegenwoordig loop ik in jurk en hoge hakken, maar toen waren mijn kleren altijd kapot en had ik overal blauwe plekken.

En ik had al jong een hekel aan onrechtvaardigheid. Als ik op het schoolplein zag dat een kind iets afpakte, wilde ik dat naar boven halen: waarom is dat nou zo? Daarom ben ik ook heel eerlijk – wat ook mijn valkuil is. Dat kan mensen afschrikken.’

Ben je altijd op zoek geweest naar de waarheid?

‘Absoluut. De waarheid en de spanning. Toen ik naar de middelbare school ging, raakte ik ook geïnteresseerd in biologie, wetenschappelijk onderzoek en wilde ik patholoog worden. Ik ben bij een patholoog op bezoek geweest, en dacht: dit ís het. Helaas moet je dan geneeskunde studeren, en dat wilde ik absoluut niet. Ik ben te onhandig, ik laat dingen vallen! En ik zag mezelf niet vijf dagen per week in een ziekenhuis zitten, echt niet.’

 

Waarom niet?

‘Ik wilde naar buiten, niet vastzitten op één plek. Dat zie ik ook bij vriendinnen die wel arts zijn. Ze vinden het hartstikke leuk, maar elke keer weer die operaties, die mensen, hun problemen en die dilemma’s. Daar word ik niet gelukkig van. Vraag is waarom ik als forensisch onderzoeker dan in ‘s hemelsnaam wel met doden wil werken. Op de een of andere manier ben ik in staat om alle nare dingen rond een plaats delict uit te schakelen. Dat er iemand is overleden, dat het slachtoffer iets ergs is aangedaan, dat moet je loslaten. Wat dan overblijft is een grote, fascinerende puzzel. Wat is hier gebeurd?’

Mapes ging psychobiologie aan de UvA studeren. Tijdens die bachelor ontdekte ze de toen net begonnen opleiding Forensic Science. ‘Wetenschap, forensisch onderzoek én de verbinding met de praktijk. Ik ben de master gaan doen.’ Haar stage liep ze bij de afdeling forensische opsporing van de politie.

 

Wat gebeurt er met je als je voor de eerste keer op een echte plaats delict komt?

‘Er gaat meteen een grote spanning door je lijf, dat blijft trouwens altijd zo. Het klinkt misschien een beetje fout, maar je hunkert naar een mooie plaats delict.’

 

Wat is dat, een mooie plaats delict?

‘Euh, ja.’ (Kijkt om zich heen). ‘Wel een beetje zoals wat we hier hebben gemaakt. Er is een ravage, je ziet glas liggen. Er ligt bloed, en soms een lichaam – dat hoeft trouwens helemaal niet, ook zonder is interessant. Je staat er, en denkt: poeh, en nu?

Mijn eerste spannende plaats delict was tijdens mijn stage. Ik was 22 jaar oud, en we werden opgeroepen om te komen kijken op een huis bij het water aan de rand van de stad. De plek was afgezet met linten. Het was winter; het sneeuwde en het vroor, wat bijdroeg aan de mysterieuze sfeer. Het ging om een vermoeden van moord, en het slachtoffer had er al een tijdje had gelegen. Het lichaam was zelfs aangevreten door de katten, wat het heel lastig maakte. De puinhoop was niet te beschrijven en het stonk.’

‘Ik heb een hekel aan die vergelijking met CSI’

Wat moest je daar doen, en wat moeten studenten forensisch onderzoek straks doen als ze zo’n stage gaan lopen?

‘Ik heb me nooit afgevraagd of ik naar binnen durfde. Dat was die hunkering waar ik het eerder over had. Alle puzzelstukjes vielen daar samen in de vraag: hoe beginnen we in deze ravage met het onderzoek? Als ik dit vertel, realiseer ik me dat we toen niet met een concreet plan naar binnen zijn gegaan. Nu weet ik dat je in die hectiek een stap terug moet doen, je bedenken: wat is het plan van aanpak, welke scenario’s zijn er?

Het lichaam van de persoon was dus toegetakeld; hij had botbreuken, er lag een wandelstok naast. Is hij gevallen, is er een gevecht geweest? Wat het ook interessant maakte was dat hij geen kunstgebit meer droeg. Buiten vonden we sporen van bloed, dat bleek pas veel later niet van een mens te zijn. Dat kunstgebit hebben we dagen daarna gevonden: gewoon keurig in een glas water in de badkamer. De zaak – wel degelijk een moordzaak – werd uiteindelijk mede opgelost nadat uit tactisch rechercheonderzoek bleek dat de verdachte met de bankpas van het slachtoffer in Spanje had gepind.’

Wat Anna Mapes maar wil zeggen: in haar vakgebied moet je niet zomaar uitgaan van het voor de hand liggende.

 

Ben je populair op feestjes met dit soort spannende verhalen?

‘Haha. Ik vertel dit niet zo vaak. Heel lang wisten veel mensen niet wat forensisch onderzoek is, dat is iets van de laatste jaren. Dus dan vraag ik: “Kijk je CSI?”. Ik heb zelf trouwens een hekel aan die vergelijking, en die blijft maar terugkomen. Mensen denken ook dat ik aan de lopende band lijken zie. Nee dus.’

 

Je promotieonderzoek heet Rapid DNA technologies at the crime scene: CSI fiction matching reality. Hoe realistisch zijn series als CSI dan?

‘Totaal niet realistisch. Heeft niets met de werkelijkheid te maken. Leuk om naar te kijken, maar er wordt daarin zó makkelijk gedaan over forensisch onderzoek. Alles zit er op één afdeling: de politie, het laboratorium. En iedereen doet alles door elkaar: vingersporen, DNA-onderzoek, chemische testjes. Forensische onderzoekers praten met verdachten en slachtoffers, dat gebeurt helemaal niet.’

 

Je zou ook kunnen zeggen: dat zou wel zo moeten; alles onder één dak, en rechercheurs die alles kunnen.

‘Nee, dat is niet ideaal. Als een rechercheur een vermoeden van een dader heeft, zou hij in de bias-val kunnen trappen en een tunnelvisie kunnen ontwikkelen. Vraag is of de gevonden sporen dan op de juiste manier worden geïnterpreteerd. Daarom is die scheiding er.

Toch zullen die vakgebieden meer moeten samenwerken, bijvoorbeeld door mobiele DNA-technieken die we hier op de HvA onderzoeken en waar we studenten in trainen. Als politiemensen dan zelf versneld DNA-onderzoek doen, moet dit niet lukraak gebeuren, maar met behulp van het stappenplan waarop ik promoveer. Het nemen van de juiste beslissingen in de juiste volgorde.’

De Rapid DNA-techniek bij misdrijven staat nog in de kinderschoenen (en is daardoor nogal prijzig), maar de ontwikkelingen gaan snel, zegt Mapes. ‘De wetenschap heeft kennis, en de politie heeft kennis. Die moeten we de komende tijd meer bij elkaar brengen. Ja, bij grote mediagenieke moordzaken of vermissingen duikt iedereen er bovenop, en praat men met elkaar. Maar het gaat om de meerderheid van zaken: overvallen, geweldsdelicten, inbraken. Als het aan mij ligt, brengen we dus de wetenschappelijke analyse naar de plaats delict. Daar is nog wel een cultuurverandering bij de politie en justitie voor nodig; om traditioneel werken te doorbreken.’

 

Zelf is ze hier het levende voorbeeld van: Mapes gaat per 1 december dit jaar aan de slag als forensisch adviseur bij de politieregio Midden-Nederland, vlak na haar promotie aan de UvA. Ook blijft ze als wetenschappelijk onderzoeker verbonden aan de HvA.

Haar voorspelling: ‘Over een jaar of tien heeft elke politieregio zeker één apparaat ter beschikking waarmee het mobiele DNA-onderzoek kan worden uitgevoerd. En het mooie is: internationaal is er grote belangstelling voor hoe wij deze techniek proberen te integreren in de opsporing. We lopen daarin voorop. Zo ben ik enkele maanden bij de NYPD in New York geweest voor onderzoek.’

‘Geneeskunde studeren wilde ik absoluut niet, ik laat dingen vallen!’

Dus het kan een in Nederland ontwikkeld model wereldwijd exportproduct worden. Levert het ook veel meer opgeloste politiezaken op?

‘Dat weet ik niet. Het levert in ieder geval meer snéller opgeloste zaken op, denk ik. Het zou ook misdrijven kunnen voorkomen, doordat veelplegers eerder kunnen worden gestopt, maar ook daar heb ik geen bewijs voor.’ Lacht: ‘Dat vervolgonderzoek zou ik graag begeleiden.’

 

We leggen Mapes een case voor die op de werkelijkheid is gebaseerd: een inbraak op de redactie van Folia, in oktober 2016.

 

Vrijdagavond laat werden we gebeld: beveiligers constateren dat er op ons redactiekantoor is ingebroken. De dader heeft enkele ruitjes van deuren ingeslagen met een baksteen…

‘Die conclusie trek je snel. Hoe weten jullie dat? Ik ga even notities maken.’

 

… Er lag een baksteen op de vloer, die was er eerst niet. Het was een grote bende. De inbreker had zich behoorlijk verwond bij het stukmaken van het glas, overal lag bloed…

‘O, wat een fijn onderzoek, wat een prachtig delict! Is dit echt gebeurd? Wauw.’

 

Euh, ja. We waren best geschrokken. Wij dachten: dit is een makkie voor de politie, met overal bloedsporen. Is dat ook zo? Of hebben we inderdaad te veel politieseries gekeken?

‘Ik pak het model erbij dat ik op mijn promotie ga verdedigen. Let op: niet alles wat logisch lijkt, is ook gebeurd. Misschien waren er wel twee of drie daders. Zijn er andere patronen of scenario’s denkbaar? Heeft iemand die inbraak gepleegd, maar is iemand anders gewond geraakt? Al is het nog zo gek: als je het kunt verzinnen, kan het ook zijn gebeurd.’

Dan: ‘Hopelijk hebben jullie niets aangeraakt op de plaats delict?’

 

Nee, dat hadden we op tv gezien: overal afblijven.

‘Heel goed. Een dilemma kan zijn: waar begint en eindigt het plaats delict? Bij de deur buiten? Binnen? Ik begrijp dat er veel bloed lag. Dan zou ik zeggen: zet meteen de Rapid DNA-techniek in, kijk of het tot een match leidt in de databank. Dan kun je de verdachte als alles meezit nog binnen een paar uur aanhouden, en heeft de inbreker alle spullen nog bij zich.’

 

In deze zaak is de verdachte na 11 maanden aangehouden.

‘Kijk. Dat bedoel ik. Dat geeft aan dat het huidig proces te veel tijd in beslag neemt. Echt: als hier op mijn promotie een vraag over komt, ga ik dit voorbeeld gebruiken.’