Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!
‘Het is zo raar een proefschrift te lezen zonder these, zonder vraagstelling en zonder aanpak.’ UvA-docent Krijn Thijs was woensdagavond niet mals in zijn kritiek op Dat nooit meer, de publieksuitgave van het proefschrift waarop Chris van der Heijden onlangs aan de UvA promoveerde.

Thijs verweet Van der Heijden tijdens het maandelijkse Historisch Café op een niet-wetenschappelijk boek te zijn gepromoveerd. ‘Ik vraag me werkelijk af wat voor soort boek je hebt willen schrijven. Op mij komt dit over als een samenvattend boek over de literatuur die je zelf afwijst.’ Van der Heijden erkende dat zijn boek geen regulier proefschrift is, maar verwierp de kritiek dat zijn boek niet-wetenschappelijk zou zijn. ‘Het betoog is gewoon gedegen onderbouwd. Ik citeer veelvuldig uit talloze bronnen en gebruik niet voor niets duizenden voetnoten.’

Bewustzijn
Volgens Van der Heijden was zijn opzet een beeld te geven van de veranderende publieke opinie over de Tweede Wereldoorlog. Hoewel hij erkende dat dat een vaag kader is, maakt dat het volgens hem niet minder interessant. ‘Je moet het eigenlijk zien als een soort mentaliteitsgeschiedenis. Iets dat historici constant produceren over de zeventiende eeuw. Ik heb dat slechts willen toepassen op de afgelopen decennia in Nederland.’ Thijs verklaarde zich met name te ergeren aan het laconieke gebruik van termen als ‘collectief bewustzijn’. ‘Als je niet duidelijk afbakent hoe je dat soort begrippen interpreteert en definieert wordt je onderwerp onmetelijk groot. Dan is het alleen nog een kwestie van sprokkelen van materiaal dat je goed van pas komt. Natuurlijk kunnen affaires interessant zijn, maar je laat het liggen als je niet zegt wat je als affaire definieert!’

Ook over in hoeverre de historicus vanuit een moreel kader kan en moet denken verschilden beiden van mening. Van der Heijden: ‘Ik denk dat het goed is dat de oorlog een moreel ijkpunt blijft, maar als historicus probeer ik mijn morele oordeel er natuurlijk zo veel mogelijk uit te houden. Anders doe je de historie geweld aan. Mijn doel is alleen te beschrijven wat mensen vinden en vonden.’  Volgens Thijs kun je juist bij uitstek vanuit een moreel kompas de historische complexiteit tot zijn recht laten komen en is het een illusie dat niet te doen. ‘Dat een situatie ingewikkeld was en er veel kanten aan zaten, betekent niet dat mensen het moreel niet op orde hadden.’

Goed en fout
Na het tweegesprek kreeg ook de zaal gelegenheid vragen te stellen. Vooraan in de rij daarvoor stond direct bijzonder hoogleraar Hedendaags Jodendom aan de UvA Evelien Gans, die reeds een paar vragen voor Van der Heijden op schrift had gesteld. Deze weigerde daar echter op in te gaan, met het argument dat Gans zich als ‘zijn schaduw’ gedraagt. De gemoederen liepen verder op, toen Gans niet accepteerde dat Van der Heijden haar wegzette als ‘Auschwitz-deskundige’. Pas nadat zij de microfoon had gegrepen en Van der Heijden zelf als ‘geobsedeerd door Auschwitz’ had aangeduid, kon de vragenronde worden voortgezet.

Ook Barbara Henkes, universitair docent aan de RUG, had kritiek op Van der Heijden. Zij stelde dat Van der Heijden moraliteit in zijn werk op een hoop gooit en aan de categorieën ‘goed’ en ‘fout’ zo statische waarden worden. ‘Juist een bepaalde moraal moet je steeds ín de tijd zien om recht te doen aan alle overwegingen die daarbij een rol speelden.’ Van der Heijden bracht daartegen in dat hij wel terecht het sentiment van ‘dat nooit meer’ door de gehele tijd signaleert. ‘Er zijn gewoon bepaalde mechanismes van goed en fout die je steeds kunt herkennen en het is essentieel daar op te wijzen.’
Lees meer over