Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
Jason Arday | Diversiteitsbeleid en academische excellentie gaan heel goed samen
Foto: Marc Kolle.
opinie

Jason Arday | Diversiteitsbeleid en academische excellentie gaan heel goed samen

Machiel Keestra Machiel Keestra,
26 augustus 2026 - 07:30

De tragische affaire rond de Britse hoogleraar Jason Arday wordt door sommige academici én de media gezien als bewijs dat diversiteitsbeleid en academische excellentie op gespannen voet staan. Machiel Keestra ziet dat anders. ‘Diversiteitsbeleid kan en mag nooit betekenen dat wetenschappelijke integriteit of academische prestaties minder kritisch worden beoordeeld.’

De prestigieuze benoeming in 2023 van Jason Arday tot hoogleraar onderwijssociologie in Cambridge was bijzonder, niet alleen vanwege zijn leeftijd – hij was slechts 37 – maar ook omdat hij, kind van Ghanese ouders, een van de weinige zwarte hoogleraren in Cambridge was. Niet verrassend dat hij veel media-aandacht kreeg en voor allerlei functies werd gevraagd.

 

Na eerdere zorgen toonde een recente online publicatie omvangrijk plagiaat aan in zijn proefschrift. De auteur van die publicatie, een postdoc uit Gent, gebruikte deze casus bovendien om zijn visie te illustreren dat verschillen in ras zouden samenhangen met verschillen in intelligentie en academisch succes en dat diversiteitsbeleid daarom zinloos is. Die publicatie vormde de opmaat tot een mediastorm, waarin niet alleen Ardays academische werk werd gefileerd maar ook aannemelijk werd dat hij over zijn biografie misleidende verhalen had verspreid. Arday werd vervolgens aan felle publieke kritiek en racistische commentaren blootgesteld. Hij voelde zich gedwongen ontslag te nemen en werd kort daarop dood gevonden.

 

Ernstige vragen

De affaire roept vanzelfsprekend ernstige vragen op over wetenschappelijke integriteit en over de procedures waarmee universiteiten wetenschappers benoemen. Maar minstens zo opmerkelijk is welke veel bredere conclusie uit Ardays geval wordt getrokken. Zijn falen wordt niet alleen beschouwd als dat van één wetenschapper of benoemingscommissie, maar als bewijs dat diversiteitsbeleid en academische excellentie op gespannen voet staan. Dat wil ik hier niet onweersproken laten.

 

Wetenschappelijke fraude en plagiaat zijn helaas van alle tijden en disciplines. Vijftien jaar geleden leverde Diederik Stapel, toen hoogleraar sociale psychologie in Tilburg, zijn doctorsbul in aan de UvA toen bleek dat hij jarenlang fraude had gepleegd met gefingeerde datasets. Andrew Wakefields beruchte artikel over een vermeend verband tussen vaccinatie en autisme werd uiteindelijk door The Lancet ingetrokken. In de natuurwetenschappen bleek het spectaculaire onderzoek van Jan Hendrik Schön naar (semi-)supergeleiding niet repliceerbaar: tientallen artikelen werden ingetrokken, onder meer door Nature, Science en Physical Review.

Een werkelijk meritocratische universiteit vereist óók aandacht voor de omstandigheden waaronder wetenschappers prestaties kunnen leveren

Zelfreinigend domein

Wetenschap wordt geacht een zelfreinigend domein te zijn. Zulke fraudegevallen leiden dan ook terecht tot kritisch zelfonderzoek bij tijdschriften, wetenschapsfondsen, vakverenigingen en benoemingscommissies. Opvallend is echter dat Stapel, Wakefield en Schön geen debat veroorzaakten over de vraag of er voor witte mannen in het algemeen wel een plaats was in de wetenschap, of dat een personeelsbeleid dat witte mannen benoemt fundamenteel gefaald had. Zij werden beschouwd als individuele fraudeurs en hun gevallen als aanleiding om beoordelingsprocedures aan te scherpen.

 

Hoe anders is dat gelopen bij de jonge zwarte hoogleraar Arday. Hierbij wordt vooral gewezen op het diversiteitsbeleid van universiteiten. De Gentse postdoc zette eerder al de toon toen hij opriep tot een revolutie tegen ‘de DEI-duivel’ en zei de ‘tirannie van wokeïsme’ te bestrijden . Volgens hem zou diversiteitsbeleid hebben bijgedragen aan Ardays benoeming, waardoor men te weinig kritisch over diens werk en loopbaan had geoordeeld. De wens een jonge zwarte hoogleraar te benoemen zou kritische beoordeling in de weg hebben gestaan. Daarmee zouden universiteiten verraad plegen aan het meritocratische karakter van academia, waarin alleen talent en verdiensten iemands kansen zouden moeten bepalen.

 

Verblinden

Nu zou het zeker een slechte zaak zijn als bij Ardays benoeming inderdaad signalen zijn genegeerd die bij andere kandidaten aanleiding zouden zijn geweest tot nader onderzoek. Diversiteitsbeleid kan en mag nooit betekenen dat wetenschappelijke integriteit of academische prestaties minder kritisch worden beoordeeld. Als een benoemingscommissie zich door enthousiasme over de achtergrond of representatieve betekenis van een kandidaat heeft laten verblinden, moet ook dat onderzocht kunnen worden.

 

Maar daaruit volgt niet dat diversiteitsbeleid als zodanig strijdig is met academische kwaliteit. Die conclusie veronderstelt dat we precies weten wat academische ‘merit’ is en dat onze bestaande procedures die objectief meten. Studiecijfers, publicaties, citaties en verworven onderzoeksgelden zijn relevante indicatoren, maar geen ervan vormt een neutrale en volledige maat voor academisch talent omdat ze alle vatbaar blijken voor manipulaties, strategisch netwerken en meer. Ook het Mattheüs-effect – wie al succesvol is, krijgt gemakkelijker nieuwe kansen, middelen en erkenning – maakt duidelijk dat verdienste en verworven positie niet eenvoudig met elkaar kunnen worden vereenzelvigd.

Als een benoemingscommissie zich door enthousiasme over de achtergrond van een kandidaat heeft laten verblinden, moet ook dat onderzocht kunnen worden

Meetlat

Een werkelijk meritocratische universiteit vereist daarom méér dan iedereen formeel langs dezelfde meetlat leggen. Zij vereist ook aandacht voor de omstandigheden waaronder mensen de prestaties kunnen leveren die vervolgens langs die meetlat worden gelegd. De positie van vrouwen in de wetenschap biedt daarvan een leerzaam voorbeeld. Decennia van diversiteitsbeleid, subsidies en acties hebben ertoe geleid dat inmiddels zo’n dertig procent van de hoogleraren in Nederland vrouw is. Dat bescheiden aandeel laat tegelijk zien hoe langzaam zulke veranderingen verlopen. Een academische loopbaan wordt voorafgegaan door een lange onderwijsloopbaan waarin verwachtingen, stereotypering, advisering, toegang tot netwerken en rolmodellen kansen mede bepalen. Dit geldt vervolgens ook binnen de wetenschap, waardoor een lange stapeling van voor- of nadelen iemands kansen beïnvloedt.

 

Maatregelen om zulke mechanismen tegen te gaan zijn daarom niet per se een inbreuk op meritocratie; ze kunnen juist een voorwaarde zijn om haar beter te realiseren. Die maatregelen zijn goed voor de wetenschap en ook voor de samenleving. Immers, die zijn niet alleen gediend bij diversiteit aan expertise, maar ook bij diversiteit aan sociale perspectieven. Die kunnen invloed hebben op de keuze van onderzoeksvragen, de onderzoekspraktijk en de interpretatie en implementatie van resultaten. Daarom is het belangrijk om de juiste les uit dit geval te trekken.

 

Opmerkelijke asymmetrie

In het geval van Stapel, Wakefield en Schön werd duidelijk dat zij als individu door de mand gevallen waren en dat specifieke peer review en beoordelingsprocessen gefaald hadden. Niemand beschouwde hun fraude als aanwijzing voor de gebrekkige academische kwaliteiten van witte mannen als groep of indicatie van misplaatst universitair personeelsbeleid of reden om te stoppen met peer reviews. In geval van Arday worden dergelijke conclusies wel getrokken: zijn falen en benoeming worden gebruikt als bewijs dat een door hem vertegenwoordigde groep niet thuishoort op de universiteit en dat universitair diversiteitsbeleid ten koste gaat van excellentie. Dat is een opmerkelijke asymmetrie.

 

Een wetenschapper uit een ondervertegenwoordigde groep draagt kennelijk gemakkelijker een representatieve last: zijn prestaties worden niet uitsluitend als individuele prestaties gezien, maar zouden ook iets zeggen over de groep waartoe hij wordt gerekend. Arday moet zonder enig voorbehoud kunnen worden beoordeeld en veroordeeld op zijn eigen wetenschappelijke handelen. Maar zijn fraude zegt op zichzelf niets over het academische talent van zwarte wetenschappers of over de wenselijkheid van diversiteitsbeleid.

 

Dat een frauderende witte hoogleraar vooral aanleiding geeft om de kwaliteitscontrole te verbeteren, terwijl een frauderende zwarte hoogleraar wordt aangevoerd als bewijs tegen diversiteitsbeleid, laat zien dat achtergrond er in onze beoordeling kennelijk nog steeds toe doet. Daarmee bevestigt deze affaire juist nog eens wat allerlei commentatoren proberen te ontkennen: het is nog steeds nodig om aan de universiteit te blijven werken aan diversiteit, gelijkwaardigheid en inclusie en aan de bestrijding van racisme.

 

Machiel Keestra is Centrale Diversity Officer en universitair docent filosofie aan het Instituut voor Interdisciplinaire Studies van de UvA.

Vacature hoofdredacteur [2]
website loading