Regionale accenten verdienen een plek op de UvA-campus, schrijft columnist Nikola Edelsztejn. ‘Dat het volslagen onzin is om een niet-Randstedelijk accent minder serieus te nemen, lijkt men niet altijd even goed te beseffen.’
‘Neuh, ‘k wit da nie neej.’ Ja, soms betrap ik me erop dat ik – wanneer ik al een beetje afwezig ben – op een dergelijke manier antwoord geef op iemand op campus. Dat ik al zes jaar niet meer in Amsterdam woon, valt aan van alles te merken. Uit mijn tijd in Roemenië heb ik ‘pa pa’ overgehouden als standaardafscheid en ‘vai’ (met zo’n heerlijke lange áááj-klank) als uitroep van verbazing, afkeuring en ongeloof. Terug in Nederland kwam ik te wonen in Brabant en aangezien ik op dagelijkse basis met Brabanders communiceer, valt ook met de maand beter te horen dat ik echt geen Amsterdammer meer ben.
Standaard studententaal
Voor veel Nederlandse UvA-studenten geldt dat ze oorspronkelijk niet uit Amsterdam komen en hun ‘thuis-thuis’ zich bevindt in Brabant, Twente, Groningen of Limburg; in de accenten hoor je dit echter amper terug. Is die standaard studententaal dan écht de heilige graal?
Met liefde gebruik ik de uitdrukkingen van mijn huidige regio en ja, dat betekent dat er soms vol overtuiging een ‘da is’, ‘da’s zund’ of –props voor iedereen die zich dit legendarische filmpje nog herinnert – ‘ma da was nie’ uit munne bakkes komt.
Ik merk ook dat ik dit veelvuldiger doe in Amsterdam dan in Brabant zelf. Misschien juist doordat ik dáár weer het stuk Amsterdam in mij een wat prominentere plek geef, al blijft daar weinig meer van over wanneer ik met vijf Brabanders tot twee uur (vaak ook vanaf twee uur) wijn aan het drinken ben in de stad.
Aanpassen
In zekere zin pas ik me aan aan de omgeving, maar probeer ik wel een stukje eigen taalkarakter over te houden. Op de Kleine Berg of op Strijp-S (allebei Eindhoven) zie je naast supergave outfits en coole mensen, ook steeds meer dat de Eindhovense tongval flink wat terrein moet afstaan voor de ‘standaardtaal’ van de jonge Randstedeling. Ook in de regio zelf zie je dus een verandering ontstaan: de lokale tongval voelt platvloers, conservatief; gemaakt voor een praatje met je familie of om gekscherend over te doen. Ik heb ook het gevoel alsof dat sentiment te sterk wordt meegenomen naar de Randstedelijke universiteiten, waaronder dus ook de UvA.
Dat het volslagen onzin is om een niet-Randstedelijk accent af te schrijven als minder ontwikkeld, minder serieus te nemen en simpelweg ‘dom’, lijkt men niet altijd even goed te beseffen, want vergeet niet dat de UvA écht heel erg veel kan leren van Tilburg University als het gaat om de studie rechtsgeleerdheid, waarin de verweving met andere sociale domeinen in een veel verder gevorderd stadium is dan op de Roeterseilandcampus; en ja, als ik ergens veel Brabantse tongvallen van docenten heb gehoord, was het daar wel.
Toch is men er in Amsterdam in geslaagd om een bepaalde studentenstandaardtaal te creëren, waardoor de taalkloof tussen jongeren en ouderen uit de regio’s (Limburg wel als behoorlijke uitzondering) bijzonder is toegenomen. Ik heb het in dit geval niet over dialect of straattaal of enige andere vorm van woordenschatsverschillen, maar puur over het accent en de vraag: wil ik onderdeel uitmaken van een groep waar hier met een schuin oog naar wordt gekeken?
Accenten wegmoffelen
Sociologisch gezien is het absoluut niet vreemd dat we onze accenten een beetje willen wegmoffelen, wanneer we in een ander landsdeel of land gaan wonen. We willen immers zo snel als ‘t kan geaccepteerd worden in de nieuwe omgeving en de eigen taalkundige gebruiken bewaren we voor een telefoontje naar het thuisfront of een monoloog tegen de kat. Wanneer we ons accent moeten omvormen binnen de taal die we al machtig zijn, is dat ook een heel stuk eenvoudiger dan wanneer we dat moeten doen in een tweede taal en dus ‘een kleine moeite met een grote beloning’.
Toch zou het misschien een stuk prettiger zijn wanneer men die druk niet meer zou hoeven voelen. Voel je je werkelijk comfortabeler wanneer je continu een bepaalde manier van spreken moet opzetten, terwijl je soms écht de behoefte voelt om eens lekker te schelden met de woorden die je zo goed als je hele leven hebt gehoord – en op de middelbare school of in de kroeg ongetwijfeld hebt gebruikt? Is ’t het serieus waard om een deel van je identiteit maar weg te stoppen, omdat je studievrienden je anders als iemand van lager allooi zien, terwijl elk weldenkend mens weet dat je accent niets te maken heeft met je karakter of intellect (de beste Nederlandstalige docenten die ik op de UvA heb gehad spraken allen onmiskenbaar met een Brabantse of Limburgse tongval) heeft te maken?
Koekwaus
Ik vind dat we regionale accenten wat meer mogen normaliseren in het Amsterdamse studentenleven, want ik weet zeker dat we dat kunnen. Laat die zachte ‘g’ horen, gorgel er een ‘r’ uit, slik die ‘-en’ in bij een infinitief en als je echt wil: noem die ene die je niet kan uitstaan eens een ‘koekwaus’, ‘smiegel’ of ‘bralbek’ – schelden is natuurlijk niet lief, maar da’s wel meer niet.
Uiteindelijk is het switchen tussen de verschillende versies van jezelf iets moois dat je een mens met een verhaal maakt, maar af en toe even graven naar je puurste zelf en die ook laten horen: àgge da màr wit!