Overal wordt de noodklok geluid over het opheffen van de Engelstalige bachelor psychologie. Maar die ophef is nergens voor nodig, want opheffing is logisch, vindt psycholoog Iris Breetvelt.
Over terugschakeling naar het Nederlands als onderwijstaal in de bacheloropleidingen psychologie, als wisselgeld in de deal tussen UNL en de minister OCW over de Toets anderstalig onderwijs (Tao), wordt inmiddels overal de noodklok geluid, ook in Folia. Onder meer Han van der Maas, Merel Kindt en Ingmar Visser kwamen hierover al aan het woord. In de discussie over de onderwijstaal schermen zowel voor- als tegenstanders van het Engelstalig onderwijs met drie argumenten: de arbeidsmarkt, de onderwijskwaliteit en het internationale onderzoek. Maar hoe zijn de feiten?
Baankans
Hoe doelmatig is Engelstalig bacheloronderwijs psychologie dat kennelijk voor een massale toestroom van buitenlandse studenten zorgt, voor de arbeidsmarkt? Beschouwd vanuit werkgeversperspectief is dat evident: hoe groter het arbeidspotentieel, des te meer concurrentie en dat biedt gelegenheid tot scherpe selectie en het drukken van arbeidsvoorwaarden. Beschouwd vanuit perspectief van de afgestudeerden is het belang complementair: de arbeidsmarkt moet niet overvoerd worden, wil men een passende baan vinden met redelijke arbeidsvoorwaarden. Een slechtere baankans wordt vertaald in lager salaris.
Beschouwd vanuit het perspectief van de samenleving is een mismatch op de arbeidsmarkt ongunstig; dat geldt zowel voor grote krapte aan werknemers waardoor banen onvervuld blijven, alsook voor een overschot aan arbeidspotentieel dat onderbenut wordt of zelfs tot werkloos leidt. De rechtvaardiging van Engelstalig onderwijs met daarmee gepaard gaande buitenlandse studenteninstroom is dan ook volgens de Wet internationalisering in balans (Wib), nader uitgewerkt in de taaltoets: een uitzonderlijk groot tekort op de Nederlandse arbeidsmarkt. Daarvan is wat betreft de opleiding psychologie geen sprake.
Baanzoekduur
Voor de bachelor psychologie geldt volgens het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) een ITKP (indicator toekomstige knelpunten personeelsvoorziening) van 1.28. Dit betekent: geen toekomstige knelpunten in de personeelsvoorziening. De arbeidsmarkt als criterium voor doelmatigheid van bacheloropleidingen is oneigenlijk, omdat de daarna te volgen masteropleiding bepalend is voor de toetredingsmogelijkheden op de arbeidsmarkt. Voor de master psychologie toont het ROA een indicator van 1.08: vrijwel geen knelpunten personeelsvoorziening. Als indicator toekomstige arbeidsmarktsituatie geldt voor de master 1.06: matige toekomstige arbeidsmarktpositie. Het werkloosheidspercentage bedraagt 5 procent en dat is hoog. Volgens Stichting Economisch Onderzoek bedroeg de baanzoekduur voor psychologen over 2023 ongeveer een half jaar voordat de eerste substantiële baan werd gevonden.
Aansluiting studie en werk
De aansluiting tussen studie en werk is bij psychologie divers, vanwege de verschillende masteropleidingen en deels gecompliceerd door tussenkomst van postacademische opleidingen. Dat laatste betreft de toegang tot BIG-geregistreerde beroepen voor psychologen die in de GGZ willen werken: GZ-psycholoog, klinisch (neuro)psycholoog, psychotherapeut. Voor de postacademische opleidingen die kwalificeren voor die beroepen in de gezondheidszorg zijn aanzienlijk meer gegadigden dan plaatsen (waarover het capaciteitsorgaan adviseert). Psychologen concurreren met orthopedagogen en gezondheidswetenschappers om plaatsing in deze postacademische beroepsopleidingen.
Volgens het onderzoeksinstituut voor de gezondheidszorg Nivel is sprake van ‘een stuwmeer’ gegadigden die op grond van hun curriculum toelaatbaar zijn voor een postacademische opleiding tot GZ-psycholoog. Er is dus een postacademische bottleneck die het afgestudeerde psychologen in de praktijk moeilijk maakt om zich te kwalificeren voor werken in de GGZ. Het tekort aan personeel in de GGZ betreft dus niet afgestudeerde psychologen, maar BIG-geregistreerde psychologen.
Kortom: de voorstanders van internationalisering van psychologie opleidingen met Engels als onderwijstaal, leveren geen overtuigend bewijs voor schaarste aan psychologen en een gunstige arbeidsmarktpositie van afgestudeerde psychologen. Ze komen niet verder dan casuïstische beweringen over functies en organisaties waarin psychologen zoal werkzaam zouden zijn. Verder verschuilen ze zich achter het uitgangspunt dat academische opleidingen wetenschappelijke vorming tot doel hebben maar geen beroepsopleiding zijn.
Aan arbeidsmarktonderzoeken valt geen argument te ontlenen om vast te houden aan de huidige massale instroom in de psychologie opleidingen. Op een concurrerende arbeidsmarkt leidt een grote blijfkans van buitenlandse psychologen die hier zijn opgeleid, logischerwijs tot verdringing van Nederlandse psychologen en dat roept een doelmatigheidsvraag op over de kosten van onderwijs en eventueel beroep op sociale zekerheid.
Onderwijskwaliteit
Het beheersingsniveau van het Engels moet zowel bij docenten als studenten goed zijn, wil het onderwijsleerproces niet te lijden hebben onder tekort schietend taalbegrip en uitdrukkingsvaardigheid. ‘Kiezen voor het Engels als onderwijstaal is kiezen voor tweederangs taalgereedschap bij de vorming van academici,’ stelt emeritus-hoogleraar taalpsychologie Annette de Groot in Levende Talen. Daarbij spelen geringere woordenschat, minder efficiënte taalverwerking door een grotere mentale belasting die het Engels als tweede taal met zich meebrengt en spraakaccent een rol. Uit analyse van dertig Engelstalige colleges van evenzoveel Nederlandstalige docenten in verschillende vakken bleken gebrek aan vloeiende formulering, nauwkeurigheid en helderheid de begrijpelijkheid te kunnen aantasten, zo blijkt uit het proefschrift van Klazien Tilstra. Grammaticale complexiteit, lexicale variëteit en structuuraanduidingen werden door de docenten onderbenut. De Nederlandstalige docenten schoten tekort in taalcompetenties die voor begrijpelijkheid in het Engels essentieel zijn.
De uitkomsten van onderzoeken naar het effect van Engels als tweede taal en onderwijstaal op vakinhoudelijke studieprestaties zijn niet eenduidig; sommige (quasi)experimentele onderzoeken tonen geen effect van eerste versus tweede taal als onderwijstaal op studieprestaties, maar andere onderzoeken tonen wel een nadelig effect op studieprestaties als het onderwijs in een tweede taal wordt gegeven. Nederlandse en Duitse psychologiestudenten werden bij Nederlandstalig versus Engelstalig onderwijs vergeleken op hun studieprestaties. Daaruit bleek een verschil in gemiddeld behaald cijfer maar niet in aantal behaalde studiepunten; de studenten die hun eigen taal als onderwijstaal volgden presteerden beter dan de beide groepen die in het Engels als tweede taal onderwijs gevolgd hadden. Er is onvoldoende grond voor de aanname dat het onderwijsleerproces van Nederlandse studenten door Engels als onderwijstaal geen afbreuk wordt gedaan. Daarvoor kan het toptalent van docenten waarschijnlijk onvoldoende compenseren.
Internationale wetenschap
Het argument dat men in de wetenschap internationaal voornamelijk in het Engels samenwerkt, communiceert en publiceert, geldt intussen voor alle wetenschappelijke vakgebieden, maar rechtvaardigt geenszins dat bacheloropleidingen in het Engels worden gegeven. Engelstaligheid van psychologie-opleidingen valt om deze reden alleen voor de researchmasters te rechtvaardigen, mits bijscholing een voldoende beheersingsniveau van academisch Engels garandeert.
Iris Breetvelt is psycholoog, oud-onderzoeker aan het Kohnstamm-Instituut en oud-lid van de Centrale Ondernemingsraad van de UvA.