Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief!
Foto: Marijn van Zanten (UvA)
opinie

‘Opleidingen weten zelf het best hoe ze hun vakken moeten evalueren’

12 juni 2020 - 11:43

Studenten en docenten van een opleiding weten zelf het best hoe ze een vak kunnen evalueren, maar worden daarin gehinderd door het systeem dat de UvA voor vakevaluaties gebruikt. Dat schrijven studenten David Batelaan, Kauthar Bouazzati, Zazie van Dorp en Tjibbe Valkenburg van Partij TOF. ‘De evaluaties kunnen zeer nuttig zijn, als docenten en studenten echt zelf aan zet zijn.’

Juist in deze periode heeft iedereen baat bij een uitnodigend evaluatiesysteem dat naadloos aansluit op het onderwijs en op de behoefte voor inhoudelijke verbetering. Daar waar de omschakeling van fysiek naar digitaal onderwijs moeizaam verloopt, is het nodig aandachtspunten vroegtijdig te signaleren. Het evalueren van de inhoud van een vak, maar ook de manier waarop het wordt gegeven, is relevanter dan ooit.

 

UvA-Q

Docenten, studenten en opleidingscommissies zitten er veelal bovenop en zijn prima in staat verbeterpunten voor een vak waar te nemen en over te brengen. Maar dan moeten zij wel ruim baan krijgen. De gemeenschappelijke storende factor: UvA-Q. Dat is het centrale evaluatiesysteem waarmee alle aan de UvA gegeven vakken, hoe uiteenlopend dan ook, aan vrijwel dezelfde criteria worden getoetst. Op dit moment is het evaluatiesysteem rigide, niet aantrekkelijk voor studenten en kan het allemaal veel effectiever.

‘Hoewel opleidingscommissies wettelijk gezien instemmingsrecht hebben op de wijze van evalueren, blijkt er in de praktijk geen flexibiliteit in mogelijk’

Met enig gejuich lazen wij dan ook het vijfjaarlijkse rapport van de Nederlands-Vlaamse Accreditatie Organisatie over de UvA. Daarin stelt zij: ‘Het is niet noodzakelijk dat de meet- en evaluatieactiviteiten instellingsbreed uniform zijn. Het gaat immers om de effectiviteit.’ Wij zeggen in navolging daarop: maak ruim baan voor decentralisatie van de vakevaluaties en daarmee voor het vergroten van die effectiviteit. Hoewel opleidingscommissies wettelijk gezien instemmingsrecht hebben op de wijze van evalueren, blijkt er in de praktijk geen flexibiliteit in mogelijk. Het is UvA-Q, of men dat wil of niet.

 

Aanpassingen

En zelfs binnen dat systeem gaat aanpassing met moeite. Dat is zonde. De kwestie moet zijn: hoe kunnen we het evalueren van het onderwijs naadloos laten aansluiten op de opleiding en op de wensen van student en docent? Hoe kan het systeem aantrekkelijker worden gemaakt voor studenten? Hoe kunnen we af van een stortvloed aan herinneringsmailtjes?

‘UvA-Q geeft een te gekwantificeerd beeld van onderwijs, en gaat daardoor amper inhoudelijk in op wat nou goed onderwijs is’

We weten dat er andere opties zijn. Het op papier laten invullen van UvA-Q-evaluaties leidt bijvoorbeeld tot meer representatieve feedback. Ook moeten evaluaties veel makkelijker opleidingsspecifieke vragen kunnen krijgen die beter aansluiten op de behoefte. Hoe kunnen opleidingscommissies anders hun (wettelijke) taak uitvoeren en actief meebeslissen over de inhoud als zij moeten varen op te algemene vraagstellingen?

 

Panelgesprekken of mondelinge feedback

Zo wordt het bijvoorbeeld makkelijker om veranderingen binnen het curriculum ten gunste van diversiteit, een veel gehoorde wens onder studenten, te peilen. Dat komt door de starre vragenlijst nu niet naar voren. En waarom zouden we niet een alternatieve evaluatiemethode gebruiken, zoals panelgesprekken of mondelinge feedback, als die methode volgens docenten en studenten het beste aansluit bij de manier waarop er college wordt gegeven?

 

Nu de UvA zich hier nog niet actief in lijkt te roeren, is het aan elke opleidingscommissie zelf om het wiel uit te vinden. Maar het bestaan van dat ene rigide systeem maakt echte verbetering onmogelijk. Docenten omschreven het UvA-Q-systeem bij de invoering ervan al als één van de: ‘management-tools, gericht op het leveren van vergelijkbare rendementscijfers in plaats van verbetering van het onderwijs’. UvA-Q geeft een te gekwantificeerd beeld van onderwijs, gericht op studiesucces, en gaat daardoor amper inhoudelijk in op wat nou goed onderwijs is.

 

Decentraliseer!

Laat daarom de keuze voor de wijze van evaluatie en de specifieke invulling hiervan over aan de opleiding of aan een cluster van opleidingen. Op die manier zijn de opleidingscommissies echt aan zet en hebben de docenten en studenten direct invloed op de wijze van evalueren en daarmee op het analyseren van de uitkomsten ervan.

 

De centrale evaluatiemethode UvA-Q vergroot met haar gemis aan nuance en verfijning de angst voor gevolgen van bovenaf, als een vak minder goed wordt geëvalueerd. Een negatieve waarde of indicator in de uitkomst van een UvA-Q evaluatie kan leiden tot een gesprek met de leidinggevende. Dat zou niet zo mogen zijn. Het gaat om inhoudelijke verbetering van een vak. De evaluaties kunnen zeer nuttig zijn, als docenten en studenten echt zelf aan zet zijn. En dus niet als het evaluatiesysteem vooral functioneert als tool voor managers. Decentraliseer!

 

David Batelaan is student geschiedenis en lid van de Opleidingscommissie. Kauthar Bouazzati is student geschiedenis. Zazie van Dorp is student filosofie. Tjibbe Valkenburg doet de research master Arts of the Netherlands en was lid van een Opleidingscommissie. Zij schrijven het artikel namens partij TOF, waarvoor zij kandidaats-raadslid of raadslid voor de Facultaire Studentenraad van de Faculteit der Geesteswetenschappen (FSR FGw) zijn.