Foto: Daniël Rommens
opinie

‘De kwestie-Van den Boom toont de invloed van “ons soort mensen”’

12 juni 2019 - 11:22

Nu er vraagtekens rijzen rond voormalig rector magnificus Dymph van den Boom staan experts klaar om haar te verdedigen, zien Annelies Moors en Martijn de Koning. Toen de integriteit van een onderzoeker op hun afdeling werd betwijfeld, bleef het echter stil. ‘Waarom vroeg toen niemand zich af waarom nu juist deze onderzoekster eruit werd gepikt?’

Wij volgen de discussies over hoogleraar B. en Dymph van den Boom met bijzondere belangstelling. Beide zaken zijn door NRC aangekaart, en de UvA heeft erop gereageerd door een externe commissie in te stellen. Dat gebeurde ook in 2017 toen onze junior-onderzoekster door dezelfde krant werd beschuldigd van jihadisme, en haar twee coauteurs van ontransparant handelen.

 

Externe commissies

In al deze gevallen besloot het UvA-bestuur externe experts in te schakelen om de zaak te onderzoeken. Het ging wel om heel verschillende zaken. Bij hoogleraar B. lijkt het toch werkelijk te gaan om iemand in een machtspositie die langdurig zo ongeveer alle grenzen heeft overschreden. Wat doet het CvB? Die meldt dat een hoogleraar niet ‘terug[keert] na een onderzoek naar mogelijk grensoverschrijdend gedrag’. Zijn naam wordt vanwege privacyoverwegingen niet genoemd, de aard van het gedrag evenmin.

‘Allerlei zwaargewichten nemen het voor Van den Boom op; nog voordat er een onderzoek is geweest’

Vervolgens hebben we de casus Van den Boom. De UvA stelt een commissie in om de zaak uit te zoeken. Daar lijkt ons niets op tegen. Maar we gebeurt er? Allerlei zwaargewichten, zoals emeritus hoogleraar Schuyt, hoogleraar Bouter (ex-rector van de VU) en hoogleraar Klamer, nemen het voor haar op; nog voordat er een onderzoek is geweest. Want karaktermoord, want kapot maken in de pers. Waren er wel duidelijke regels over plagiaat in 1988 toen zij haar proefschrift schreef? Een rede is toch iets anders dan een wetenschappelijk product? Waarom wordt zij er nu juist uitgepikt?  

 

Overhaaste reacties

Wat ons hierbij steekt is de discrepantie tussen enerzijds een dergelijke ‘zorgvuldigheid’ en anderzijds de overhaaste manier waarop de UvA in onze casus opereerde, en de wijze waarop hoogleraren actief op het terrein van integriteit in actie komen. In ons geval werd er binnen enkele dagen besloten tot een reflectie-audit over kwesties aangaande ethiek en integriteit, en er werd direct gemeld dat de resultaten van de audit openbaar zouden worden gemaakt.

 

Alleen hoogleraar Thijl Sunier, een vakgenoot aan de VU nam het publiekelijk voor ons op. Zo werden we geconfronteerd met vragen over de politieke opinies van onze coauteur, ook voordat ze in dienst kwam, werd haar religie onderwerp van discussie, en – zeker zo opmerkelijk – werd de vraag gesteld of het wel wenselijk was dat we de namen van onze gesprekspartners niet registreerden. Dit laatste was nota bene een verplichting opgelegd door de ethische commissie van onze financier (de European Research Council), waar de UvA mee bekend was en mee had ingestemd.

‘Waar waren deze hoogleraren, allen actief op het terrein van integriteit, toen onze kwestie speelde?’

Schade voorkomen

Nu begrijpen we ook wel dat de UvA vanaf het begin openbaarmaking aankondigde omdat zij er zelf vertrouwen in had dat wij correct hadden gehandeld, en het is waar dat de UvA tenslotte, zes maanden later, concludeerde dat wij ons aan de regels van ethiek en integriteit hadden gehouden. Maar de UvA publiceerde ook een rapport (weliswaar zonder het over te nemen) van twee ‘experts’ met veel feitelijke onjuistheden en nog meer suggestieve zinsneden, zoals dat we de bescherming van onze gesprekspartners ‘tot het uiterste’ doorvoeren.

 

Nu valt het de UvA natuurlijk niet te verwijten dat een journalist bewust het risico neemt iemand kapot te maken. Maar de UvA had veel schade, met name voor onze junior-onderzoekster, kunnen voorkomen door onmiddellijk duidelijk te maken dat er niets mis is met het niet registreren van officiële namen, dat wij ons daarmee hielden aan contractuele verplichtingen, en dat dit gebruikelijk is binnen onze discipline. Daarin is de UvA nalatig geweest.

 

Ons soort mensen

Ten tweede, waar waren deze hoogleraren, allen actief op het terrein van integriteit, toen onze kwestie speelde? Zij behoren ongetwijfeld tot het NRC-lezende publiek en moeten dus van onze casus op de hoogte zijn geweest. Waarom gingen er toen geen stemmen op dat dit meer lijkt op een volksgericht dan op een serieus onderzoek naar ethiek en integriteit? Waarom vroeg toen niemand zich af waarom nu juist deze onderzoekster eruit werd gepikt?

 

Zowel hoogleraar B. als Dymph van den Boom hebben een sterk netwerk van connecties op plekken die ertoe doen. Maar het gaat hierbij niet alleen om belangen, het lijkt ook te gaan om ‘ons soort mensen’; men zich kan inleven in hun positie. En dat was bij onze junior-onderzoekster, een jonge moslimvrouw, blijkbaar niet het geval. Ook al is dit geen klassenjustitie in de letterlijke zin, want er kwam geen justitie aan te pas, het is wel het informele equivalent ervan.

 

Hoogleraar Annelies Moors en Martijn de Koning zijn allebei werkzaam bij de programmagroep Globalising Culture and the Quest for Belonging van de Faculteit der Maatschappij- & Gedragswetenschappen.