Foto: Markus Spiske (Publiek domein)
opinie

Op z'n Duits | Wat te doen met geile wetenschappers?

Linda Duits,
18 januari 2019 - 07:44

Een van de spannendste teksten die mijn studenten gender- en seksualiteitstudies moesten lezen heet ‘The Catacombs: A Temple of the Butthole’. Het is een etnografisch onderzoek naar een fistingclub in San Francisco van antropoloog Gayle Rubin. Het maakt bij het lezen uit te weten dat Rubin een lesbienne is die graag aan SM doet.

Net als Roland Barthes verklaarde Michel Foucault de auteur dood. Maar als je zijn Geschiedenis van de seksualiteit leest, kan je die beter plaatsen wanneer je weet dat Foucault homo was. Je begrijpt de keuzes en onderzoeksvragen van deze auteurs als je iets weet over hun subjectpositie.

 

Onderzoek is nooit neutraal. Onze interesses drijven ons richting bepaalde studies, benaderingen en methodes. Als je niks met geld hebt, ga je geen economie studeren. Hoe zit dat bij seksonderzoekers? Wat als je hitsig wordt van je eigen onderzoek?

 

In een methodologisch commentaar in het journal Sexualities met de veelzeggende titel ‘Getting off on sex research’, bespreken de Amerikaanse sociologen Jeremy Thomas en DJ Williams mogelijke manieren waarop verlangen het onderzoek van seksuologen kan beïnvloeden.

Alles opbiechten kan geil zijn, voor de auteur en de lezer, maar onderzoek is niet bedoeld om opwindend te zijn

Ze zijn daarbij toepasselijk reflexief en open. De eerste auteur bekent bijvoorbeeld dat hij tijdens een telefonisch interview zo geil werd van het gesprek dat hij telefoonseks met die respondent overwoog. Met tegenzin koos hij er toch voor het interview gewoon af te maken. Ook beschrijft hij hoe hij bij het coderen van interviewdata erg opgewonden raakte. Was het nodig daar een aantekening van te maken, vraagt hij zich af.

 

Thomas en Williams doen vier aanbevelingen voor seksuologen om om te gaan met wat je geilheidsbias zou kunnen noemen. Allereerst moeten onderzoekers erkennen dat seksuele verlangens hun onderzoek kleuren. Vervolgens moeten ze zulke verlangens disclosen, dat wil zeggen: ze moeten ze melden in hun onderzoeksverslag. Hierbij hoort reflectie op hoe resultaten anders hadden kunnen zijn als die verlangens er niet waren geweest. Tot slot stellen ze dat er in het seksonderzoek gestreefd moet worden naar diversiteit in verlangens.

 

Natuurlijk is het belangrijk dat er verschillende scholen zijn binnen een onderzoeksgebied, maar die laatste aanbeveling gaat te ver. Net zoals het onzinnig is om te eisen dat er evenveel PVV-stemmers als GroenLinks-kiezers Arabisch studeren, is het onnodig dat mensen met een afkeer van fistfucking maandenlang in een SM-kelder observatieonderzoek doen.

 

En hoewel methodologische reflectie essentieel is, is het geen doel an sich. Als lezer moet je weten hoe omstandigheden resultaten hebben gestuurd. Alles opbiechten kan geil zijn, voor de auteur en de lezer, maar onderzoek is niet bedoeld om opwindend te zijn. Foucault zou er bovendien het zijne van hebben gedacht. Het eerste deel van de Geschiedenis van de seksualiteit heet ‘De wil tot weten’. Die moderne dorst naar sekskennis ziet Foucault als onderdeel van een zucht tot controle en regulering.

 

Waarschijnlijk was Foucault om die reden terughoudend met het publiekelijk declameren van zijn liefde voor piemels. Ook Rubin meldt in ‘The Catacombs’ niet hoe vaak ze er klaar kwam, wat haar favoriete posities waren. Gelukkig, want die informatie is niet relevant. Er zijn vast seksonderzoekers die neigen naar exhibitionisme en dat is prima, maar geen reden om de grens tussen erotiek en wetenschap te schrappen.

 

Linda Duits is een weggelopen wetenschapper, gespecialiseerd in populaire cultuur; in het bijzonder op het gebied van gender en seksualiteit.

Lees meer over