Foto: Bob Bronshoff (UvA)
opinie

‘Is er hoop voor Nederland(s)?’

Fred Weerman,
21 september 2018 - 09:57

De studie Nederlandse taal en cultuur staat op een kruispunt, schrijft hoogleraar Nederlandse taalkunde en geesteswetenschappendecaan Fred Weerman. ‘Of we accepteren een kleinere studie Nederlands, of we moeten Nederlands gaan herpositioneren als brede bachelor.’

Het Parool en De Volkskrant berichtten deze week, naast andere media, over de aanzienlijke daling in het aantal studenten dat zich aanmeldt voor de studie Nederlandse taal en cultuur. Aan de VU bereikt dat aantal een kritische grens en dreigt volgens de berichtgeving zelfs opheffing. Dat is aan de UvA niet aan de orde, maar ook hier is er, zoals elders in Nederland, vergeleken met een paar jaar geleden een scherpe daling zichtbaar. De tanende belangstelling voor de opleiding Nederlands leidt tot nog somberdere voorspellingen over het lerarentekort en wordt door sommigen in verband gebracht met verengelsing, de teloorgang van het Nederlands of zelfs de Nederlandse identiteit. Wat is er aan de hand?

 

Krimpende talenopleidingen

Laten we eerst vaststellen dat de dalende tendens bij Nederlands niet op zichzelf staat. Al enkele decennia zien we een terugloop in belangstelling voor de talenopleidingen, die startte in de Angelsaksisch universiteiten en zich steeds verder verspreidt. Tot voor kort leek Nederlands (en Engels) enigszins aan deze trend te ontsnappen, maar sinds een jaar of drie moet ook Nederlands eraan geloven en wordt de achterstand ten opzichte van de trend in een paar stappen ingehaald.

‘Dat Nederlands op de middelbare school niet bekend staat als cool vak, dat de bèta-lobby misschien wel wat al te succesvol is – het is waar, maar gaat aan een wezenlijk punt voorbij’

De verontrusting hier in Nederland is daarbij niet anders dan die in bijvoorbeeld de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Australië. Helemaal begrijpen doen we deze globale trend niet, maar hij zou mijns inziens wel moeten leiden tot enige scepsis ten aanzien van al te nationale verklaringen. Dat Nederlands op de middelbare school niet bekend staat als een erg cool vak, dat de reputatie van het profiel Cultuur & Maatschappij niet helpt, en dat de bèta-lobby misschien wel wat al te succesvol is – het is waar, maar gaat denk ik aan een wezenlijk punt voorbij.

 

Nederlands is een verzameling disciplines

Buitenstaanders denken soms dat Nederlands één discipline is, en ooit was dat ook wel ongeveer zo. Maar al minstens vanaf de eerste helft van de twintigste eeuw is het een verzameling disciplines die deels zo radicaal van elkaar verschillen dat de professionele beoefenaars niet of nauwelijks een idee hebben van de recente ontwikkelingen in elkaars vak. Letterkunde en taalkunde verschillen als yin en yang, als we ons alleen nog maar tot deze twee basisdisciplines van de opleiding beperken. Dat die disciplines in één opleiding zitten komt, tja…, omdat dat zo gegroeid is. En via het leraarschap Nederlands werd en wordt aan zo’n combinatie ook enige legitimiteit gegeven.

‘De verschillende disciplines van Nederlands doen het afzonderlijk uitstekend’

Nederlands was dus al in de vorige eeuw een zogenaamde brede studie toen dat concept nog helemaal niet bestond. Je maakt kennis met totaal verschillende disciplines en methodes rond het thema ‘Nederlands’ en gaandeweg specialiseer je je. Mij beviel dat als student in de vorige eeuw uitstekend, en met mij zeer vele anderen, maar het thema ‘Nederlands’ doet het in 2018 als organiserend criterium voor een brede opleiding duidelijk niet goed, terwijl andere brede opleidingen zich juist in een grote belangstelling kunnen verheugen.

 

Het is daarbij wel van belang om vast te stellen dat de constituerende onderdelen van de opleiding (die verschillende disciplines dus) het uitstekend doen. Uitstekend in onderzoek, maar… ook in studentenbelangstelling! Neen, niet in de koker met de naam van de opleiding Nederlands, maar wel als ze in een andere opleiding zitten. Kijken we alleen al bij de UvA naar de twee opleidingen taalwetenschap en literatuurwetenschap, dan behoren beide tot de groep fikse groeiers. En de disciplines taal- en letterkunde zitten al dan niet verder verpopt ook in diverse andere (nieuwe) opleidingen, tot buiten faculteiten op het gebied van de geesteswetenschappen. De daling in de belangstelling voor de klassieke talenopleiding impliceert dus allerminst dat er geen belangstelling is voor taal.

 

Hoe nu verder?

Ik zie twee mogelijkheden. De eerste is dat we genoegen nemen met de ontwikkelingen zoals ze zijn, en een kleine(re) opleiding Nederlands accepteren, constaterend dat de onderdelen van de neerlandistiek in andere opleidingen floreren. Als we deze weg kiezen is het wel zaak er goed voor te zorgen dat de route van die andere opleidingen naar het leraarschap Nederlands van minder blokkades is voorzien dan nu het geval is. Sowieso wel een goed idee, zou ik zeggen.

 

De andere optie is dat de neerlandici hun brede opleiding zo vormgeven en herpositioneren dat die opleiding weer de aantrekkingskracht heeft die andere brede opleidingen van nu kenmerkt. Toegegeven, dat is geen kleintje, maar minder gespeend van werkelijkheidszin als je je realiseert dat het bijna steeds neerlandici waren die een sleutelrol speelden bij de oprichting van nieuwe opleidingen in de geesteswetenschappen. 

 

Fred Weerman is hoogleraar Nederlandse taalkunde en decaan van de Faculteit der Geesteswetenschappen van de UvA.