Foto: Marc Kolle
opinie

‘De UvA moet meer ambitie tonen in haar personeelsbeleid’

20 december 2017 - 08:30

Over belangrijke thema’s van het personeelsbeleid zijn de Centrale Ondernemingsraad (COR) en het UvA-bestuur het ondanks drie jaar vergaderen niet eens geworden. Breanndán Ó Nualláin en Iris Breetvelt van de COR vinden dat het UvA-bestuur meer ambitie had moeten tonen.

Anders dan in het Folia-artikel over het nieuwe personeelsbeleid van de UvA staat, zijn het UvA-bestuur en de ondernemingsraad het eens geworden over slechts twee van de vijf HR-notities. Over de notities Loopbaanbeleid en Verbetering jaargesprekken constateert ook het CvB dat niet op alle punten tot overeenstemming is gekomen.

 

Een heet hangijzer in het langdurige overleg tussen COR en CvB was het verschil in ambitie in het tienpuntenplan en de realiteit van de uitwerking in beleid.

Er wordt nauwelijks meer ambitie tentoongespreid dan de ondergrens uit de cao waaraan de UvA nu al gebonden is

Geen paal en perk aan de flexschil

De in het tienpuntenplanHet tienpuntenplan is een document dat het UvA-bestuur ten tijde van de Maagdenhuisbezetting opstelde om tegemoet te komen aan de wensen van de bezetters. geformuleerde wens om ‘paal en perk te stellen aan de flexschil’ wordt door het UvA-bestuur niet gerespecteerd. Er wordt nauwelijks meer ambitie tentoongespreid dan de ondergrens uit de cao waaraan de UvA nu al gebonden is. Tijdelijke aanstellingen van onderzoekers en docenten worden als voldongen feit geaccepteerd. Daar ligt een fundamenteel meningsverschil tussen COR en CvB.

 

De UvA heeft onder druk van de COR en het lokaal overleg van werknemersorganisaties (UCLO) afgezien van haar oorspronkelijke idee om docent-3- en docent-4-functies als per definitie tijdelijke startersfuncties aan te merken. Op een ander punt was het UvA-bestuur onvermurwbaar: het ging niet verder dan nakoming van het cao-maximum van 22 procent gerekend over alle onderwijsgevende WP-functies heen. Een maximum percentage tijdelijk personeel voor lagere docentfuncties was onbespreekbaar.

 

Interne arbeidsmarkt

Ook over een interne arbeidsmarkt voor wetenschappelijk personeel (WP) werden wij het niet eens met het UvA-bestuur. De COR wil voor een deel van de WP-vacatures in beginsel een interne arbeidsmarkt te hanteren, zoals dat ook voor het ondersteunend personeel (OBP) gebeurt. Volgens de COR kan dat zorgen voor minder onvrede over het loopbaanperspectief voor wetenschappers, omdat dit de kans op opwaartse doorstroom verhoogt.

Een maximum percentage tijdelijk personeel voor lagere docentfuncties was voor het UvA-bestuur onbespreekbaar

Dat is ook de gedachte achter de interne markt voor OBP, maar voor wetenschappers wil het bestuur daar niet aan. Voor wetenschappers houdt de UvA vast aan een internationale competitieve arbeidsmarkt. Daarbij speelt ook de gebondenheid aan internationale Human Resource-eisen, die dwingen tot open wervingsprocedures, een rol.

 

Werkdruk

Een belangrijk thema voor de COR is werkdruk. In de praktijk vormen eisen die aan onderzoekprestaties worden gesteld en de gedwongen werktijdverdeling tussen onderwijs en onderzoek een probleem. Dat frustreert vaak de aandacht voor onderwijs. Impliciet komt daarmee de door de UvA gekoesterde wens om tot een betere balans te komen tussen de onderwijs- en onderzoeksloopbaan teneinde.

 

Let wel: in de UvA onderwijsvisie wordt eenieder in het onderwijsveld gevraagd het research-based onderwijsbeleid uit te dragen. De vraag is of dat in redelijkheid mogelijk is voor docenten die geen onderzoekstijd hebben, of voor onderzoekers die zich niet beschermd weten door een redelijke ondergrens van die tijd. Kortom, het onderwijs dient zich aan als fuik waaraan men zich niet kan onttrekken.

 

Meer aandacht voor onderwijs

We hebben als COR de wens geuit om met beleid te komen waarbij als uitgangspunt de dualiteit van onderwijs en onderzoek gekozen wordt. Hier is in de loopbaannotitie niets van terug te vinden. Gezien de stormachtige ontwikkelingen op onderwijsgebied is het steeds lastiger op zowel onderwijs- als onderzoeksgebied te excelleren.

Uit het personeelsbeleid blijkt dat de UvA de gelijkschakeling van onderwijs en onderzoek niet urgent vindt

Waarom wordt een carrière binnen het onderwijs dan toch gekoppeld aan zware eisen voor onderzoek? Is het niet zo dat in deze ruime arbeidsmarkt het huidige wetenschappelijke personeel al voldoende gekwalificeerd is en er geen extra eisen gesteld hoeven te worden?

 

Het is één van de voorbeelden waaruit blijkt dat het CvB de gelijkschakeling van onderwijs en onderzoek niet urgent vindt. De notitie laat dat thema eigenlijk links liggen, ten nadele van iedereen die veel tijd investeert in goed onderwijs en ten nadele van studenten. De scheefgroei tussen beleidsmatige waardering voor onderzoek versus onderwijs vanuit Den Haag mag niet de reden zijn dat de UvA daar een voorschot op neemt.

 

Tenure trackers

Op het gebied van tenure tracks moet er volgens de COR ook meer gebeuren. De raad maakt zich zorgen over de haalbaarheid van de gestelde beoordelingsnormen en verlenging in geval van verlof door ziekte, zwangerschap of ouderschap. Hier loopt men zelfs achter op regelingen die gelden voor promovendi. Er is een ‘toolbox’ beloofd op basis waarvan faculteiten een eigen beleid kunnen bepalen, maar het ontbreekt aan minimaal beleid ter bescherming van personeelsleden in bovengenoemde situaties. De ‘toolbox’ blijkt in die zin vooralsnog een ‘black box’.

 

Jaargesprekken

Op dit moment heeft de UvA een regeling Functioneren aan de UvA, maar die wordt vervangen door de beleidsnotitie Verbetering jaargesprekken. Daaraan is ook een nieuw beoordelingsvoorschrift gekoppeld. Helaas kan het CvB uitzonderingen maken op dat nieuwe beoordelingsvoorschrift. Aangezien daarmee het dwingend karakter van het overigens prima beoordelingsvoorschrift ondergraven wordt, wil de COR afwijken onmogelijk maken.

 

Daarnaast betreurt de COR dat ze geen instemming krijgt over de handreiking en de gespreksformulieren op basis waarvan het jaargesprek gevoerd zal worden. Dit bepaalt immers in hoge mate de inhoud van zo’n gesprek.

 

Na drie jaar overleg had de COR graag gezien dat er doorbraken bereikt zouden worden op belangrijke thema’s als de flexibele schil, loopbaanperspectief voor wetenschappers en beoordeling en functioneren. Helaas is dat niet gelukt.

 

Breanndán Ó Nualláin is voorzitter van de COR en Iris Breetvelt is voorzitter van de COR-Commissie Human Resources. Het lokaal overleg van vakbonden aan de UvA onderschrijft dit opinieartikel.