Bijna driekwart van de HvA-medewerkers ervaart een hogere werkdruk dan wenselijk. Zij werken langer door, komen aan veel werk niet toe en voeren door tijdgebrek taken minder goed uit dan zij zouden willen. Dat blijkt uit de Medewerkersmonitor, waarmee dit jaar de arbeidsbeleving en waardering van de dienstverlening op de hogeschool werden onderzocht.

Met name het onderwijzend en onderzoekend personeel (OP) is ontevreden. Van hen geeft 81 procent aan dat de feitelijke werkdruk hoger ligt dan de wenselijke werkdruk, tegenover 57 procent van het ondersteunend en beheerpersoneel (OBP). Als oorzaken voor de werkdruk noemen zij de hoge eisen die aan medewerkers worden gesteld. Ze krijgen te veel of te zware verantwoordelijkheden, ervaren een te hoge publicatiedruk, of moeten meer werk doen dan ze aankunnen.

De HvA herkent dit beeld. Volgens Willem Baumfalk is de werkdruk bij zijn domein (Economie & Management) vooral te wijten aan de verbeteragenda die gaande is, waarbij opleidingen die voortkwamen uit de HES zijn samengevoegd tot één opleiding op de HvA. 'Het is een majeure operatie die veel werk met zich meebrengt en voor ons allemaal een grote verantwoordelijkheid betekent. Ja dus, het is druk. Maar de studentevredenheid stijgt.'

Ook Jean Tillie, voorzitter van het domein Maatschappij & Recht (DMR), hoort regelmatig klachten voorbij komen. 'De aanpak van de werkdruk staat bij ons vol op de agenda. We kijken al naar een vermindering van het aantal herkansingen, en door nieuwe docenten aan te nemen hopen we komend studiejaar echt een verschil te merken.' Maar een deel van de verantwoordelijkheid ligt volgens Tillie ook bij de huidige docenten. Zij zouden wel wat vaker 'nee' mogen zeggen. 'Ik hoor soms dat docenten urenlang een scriptie bespreken met een student. Het zijn betrokken professionals, ze willen alles goed doen. Dan ligt werkdruk altijd op de loer.'

In vergelijking met de rest van Nederland ervaren medewerkers op de HvA meer werkdruk dan hun collega's aan de Hogeschool Rotterdam, Saxion Hogeschool, Hogeschool Arnhem/Nijmegen en Pabo Almere, waar in de voorgaande jaren vergelijkbare onderzoeken hebben plaatsgevonden. Voor 13 procent van de medewerkers is het onwaarschijnlijk dat zij over drie jaar nog steeds werkzaam zijn bij de HvA. De belangrijkste redenen voor vertrek zijn het (vervroegd) met pensioen gaan en onvrede met de organisatie. Dit geldt zowel voor het OP als het OBP.

Verschillen OP en OBP
Uit de online enquête, die door ruim tweeduizend HvA’ers werd ingevuld, blijkt verder dat het OP een minder goede balans ervaart tussen werk en privé dan het OBP. Ook is het OP negatiever over het bestuursklimaat van de HvA. Zo vinden medewerkers van het OP dat ze onvoldoende op de hoogte worden gehouden van de ontwikkelingen binnen de domeinen, diensten en stafafdelingen. Het OP is tevens minder positief over leidinggevenden dan het OBP, en dan met name over de mate waarin hun leidinggevende feedback geeft over hun prestaties en functioneren en over de mate waarin hun leidinggevende resultaten van hun werk inhoudelijk goed kan beoordelen.

Het onderzoek wijst uit dat Bewegen, Sport en Voeding (DBSV) van alle domeinen het hoogst scoort op tevredenheid, vooral in vergelijking met Economie & Management (DEM), Maatschappij en Recht (DMR) en Digitale Media & Creatieve Industrie (DMCI). DBSV-medewerkers ervaren daar een betere sfeer, meer zelfstandigheid en meer duidelijkheid en scholings- en loopbaanmogelijkheden. Ook kunnen zij hun kennis en vaardigheden vollediger gebruiken en zijn ze positiever over het jaargesprek, de medezeggenschap en de informatievoorziening. DBSV-medewerkers geven voor werken bij de HvA dan ook het hoogste rapportcijfer: een 7,9.

Roddelen en pesten
Het onderzoek wijst ook uit dat 15 procent van de medewerkers gevallen van ongewenst gedrag heeft meegemaakt. Bijna de helft daarvan heeft de incidenten gemeld bij de leidinggevende of personeelsadviseur. Zij zijn over het algemeen ontevreden over de afhandeling van hun klacht.

In de meeste gevallen ging het om roddelen (25 procent), gevolgd door verbale agressie en intimidatie, pesten, psychisch geweld en buitensluiten. Fysiek geweld en seksuele intimidatie komen relatief weinig voor (respectievelijk 0,4 en 1 procent). Roddelen wordt het meest door collega’s gedaan, bij verbale agressie en intimidatie zijn studenten het vaakst de boosdoeners.