De Academie voor Lichamelijke Opvoeding (ALO) bestaat 85 jaar. Gymlessen veranderden in de loop der jaren van een uurtje ‘kunstjes leren’ met militaire discipline in lichamelijke én sociale opvoeding en een strijd tegen obesitas. ‘Met sport had gymnastiekonderwijs niets te maken.’

‘Armen omhoog, en weer naar beneden. Allemaal tegelijk. Keurig in het gelid, in rijen opgesteld voor de leraar.’ Voormalig ALO-student André Castens (87) weet het nog goed. Zo was de gymles toen hij zélf nog op de middelbare school zat. ‘Een soort militaire oefening.’

Pünktlichkeit



Toen de ALO in 1925, de 85-jarige verjaardag wordt laat gevierd, werd opgericht leidde ze de aankomende gymnastiekdocenten – 22 in het allereerste leerjaar – op om kinderen strek- en buigoefeningen te laten uitvoeren, beaamt Max Koops (75), zelf voormalig ALO-student en -docent. Koops schreef verschillende boeken over gymnastiekonderwijs. De oprichting van de academie moest het gymnastiekvak in hoger aanzien stellen, want niemand – niet in de onderwijswereld, niet bij de overheid – hechtte enig belang aan ‘recreatie-uurtje’. Koops: ‘Het vak heette toen nog Lichamelijke Oefening, discipline was heilig. Dat kwam door de Duitse invloed: pünktlichkeit, daar draaide het om. De lessen bestonden voornamelijk uit turnen: oefeningen in de zaal, op de rekstok, aan de ringen. Af en toe wat atletiekactiviteiten, maar balsporten waren niet aan de orde.’

Dat veranderde na de Tweede Wereldoorlog . ‘Gymnastiek werd niet meer gezien als het aanleren van kunstjes, maar het vak kreeg een pedagogische achtergrond,’ vertelt Koops. ‘Gym was opvoeding van de gehele mens, met het lichamelijke als aanknopingspunt. Eigenschappen als doorzettingsvermogen, concentratie en samenwerking werden belangrijker.’ Het moest allemaal speelser. Zo deed het ‘ritmisch bewegen op actuele wijsjes uit de bandrecorder’ zijn intrede, en werd er meer gebruik gemaakt van ander ‘gereedschap’ zoals hoepels en ballen.



Blauwe plekken
Het mochten mooie theorieën zijn die je op de ALO leerde, de praktijk was anders, vertelt Castens. Toen hij in 1950 van de academie afkwam paste hij gewoon de discipline van weleer toe. ‘Hét systeem om die knapen in het gareel te houden,’ zegt hij. ‘Die kinderen kwamen net uit de oorlog, een chaotische tijd waarin ze gewend waren te doen wat ze zelf wilden. Je moest wel streng zijn.’ Zijn oud-studiegenoot Wim Beijnvoort (82): ‘Ik liet mijn leerlingen zo hard werken, dat ik geen last meer van ze had. De intensiteit was heel belangrijk, hop hop, allemaal achter elkaar de bok over.’ En heel af en toe deelde hij wel eens een tik uit om ze te laten gehoorzamen, geeft Beijnvoort toe. ‘Dat kon nog in die tijd. Het beste was tegen het achterwerk. Dat gaf geen bulten of blauwe plekken.’

Hooligans
Vreemd genoeg had het gymnastiekvak met sport niets te maken. Na de Tweede Wereldoorlog maakte Nederland weliswaar kennis met basketbal – overgewaaid uit Amerika – en al lange tijd beoefende men hockey en voetbal, maar onderdeel van de lichamelijke opvoeding was dit niet. ‘Sport werd gezien als een verbastering van het pedagogisch bewegen,’ vertelt Koops. Die afkeer hield behoorlijk lang aan, zelfs tot in de jaren negentig. ‘Uitwassen zoals doping, blessures en hooligans werden heel lang gebruikt als argumenten om sport af te wijzen als onderdeel van de opvoeding.’ Rector Kuyper, die in 1983 afscheid nam, stond erom bekend een brief gericht aan ‘de directeur van de sportacademie’ ongeopend in de prullenbak te gooien.

Ondertussen groeide de ALO. ‘Het hoofdvak was fietsen, zeiden wij altijd’, vertelt Bob Mirck (76) over eind jaren ‘50, begin ‘60, toen hij ALO-student was. ‘Voor elk vak moest je zo ongeveer op een andere locatie in de stad zijn.’ De verschillen tussen de vakken waren erg groot, iedere docent was een ‘superspecialist op zijn eigen eiland.’ Op stage gingen de studenten pas in het derde en vierde leerjaar – één dagdeel in de week. Turnen was nog steeds één van de belangrijkste vakken. Mirck: ‘Het cijfer voor turnen telde tien keer, dat van vakken als zwemmen maar één keer. Het onderwijssysteem was bovendien zó geregeld dat je het hele jaar moest overdoen als je een vak niet haalde. Vandaar dat veel studenten ‘s avonds naar het ‘krukkenuur’ gingen, een soort bijles waar ze je leerden gehurkt dubbelwenden, en vergelijkbare levensgevaarlijke fratsen.’

Door de seksuele revolutie werd alles losser. Het gymdocentenvak werd er leuker van, vindt Beijnvoort. ‘Onze houding tegenover de leerlingen werd heel anders, veel opener. We praatten veel makkelijker met de leerlingen, en zij met ons. De gymleraar was meer een vaderfiguur geworden dan een autoriteit.’ Er kwam bovendien meer aandacht voor de psyche van het kind en de sociale verhoudingen in de groep, vertelt Koops. ‘Op de ALO leerden studenten dat ze oog moesten hebben voor signalen dat een kind niet goed in zijn vel zat, of gepest werd.’ Soms schoot deze losse en sociale aanpak te veel door, vindt Koops. ‘De kinderen moesten zogenaamd ‘zelfontdekkend leren’, maar bij sommige leraren kregen de lessen hierdoor een veel te vrijblijvend karakter. Deze leraren haalden zelfs het niveau van een speeltuinoppasser niet.’

Weg aanzien!
In de jaren tachtig was het uit met de pret. Het opgebouwde aanzien van het gymnastiekonderwijs en de erkenning van het belang ervan, waar de ALO vanaf de oprichting zo voor had gestreden, werd door de regering in een handomdraai vermorzeld. Een vaste gymleraar op de basisschool? Nergens voor nodig! De klassenonderwijzer moest zich maar een beetje bekwamen in gymnastiek, zodat de gymdocent – voorheen een verplichte kracht op iedere basisschool – kon worden wegbezuinigd. ‘De kwaliteit van het gymnastiekonderwijs op de basisschool ging daardoor vanzelfsprekend erg achteruit,’ zegt Koops. ‘Politici konden en kunnen zich verschuilen achter de grote toename van kinderen die lid zijn van een sportclub.’

Ook in het voortgezet onderwijs werd in de jaren tachtig steeds meer verwezen naar sportverenigingen, zegt Hans Brakelee. Hij studeerde in 1975 af aan de ALO, en werkt al bijna 35 jaar als gymdocent. ‘Ook buiten school moet je aan je gezondheid werken, benadrukten wij.’ In de gymlessen werd er in die jaren vooral veel aandacht besteed aan teamwerk. ‘Kinderen moesten leren organiseren en met elkaar discussiëren over de regels.’ Sporten kregen een belangrijkere plaats in het gymnastiekvak, en trends wisselen elkaar steeds sneller af. ‘In de jaren negentig werd aerobics populair, en fitness’, vertelt Brakelee. ‘We pasten onze lessen er op aan. Daarna kwam streetdance, tae bo, yoga. Nu is het weer zumba.’

Overgewicht
Tegenwoordig moet een gymleraar volgens Brakelee bovendien veel aandacht hebben voor de sociale vaardigheden van de kinderen, hun gemoedstoestand, hun psychische problemen – steeds meer leerlingen hebben bijvoorbeeld ADHD of autisme. Domeinvoorzitter Jacomine Ravensbergen onderschrijft die ontwikkeling. ‘Door een nieuwe wet zullen er alleen maar meer zorgkinderen in het reguliere onderwijs terecht komen, zoals gehandicapte of chronisch zieke kinderen. Daar moeten wij op inspelen. Onderzoek naar gymnastiekonderwijs voor deze doelgroepen bestaat nog nauwelijks. De ALO zal daar in de toekomst structureel aandacht aan moeten besteden.’

Een andere redelijk nieuwe missie van de huidige én toekomstige gymleraar: het gevecht tegen overgewicht. Ravensbergen: ‘Veel kinderen uit lage sociale milieus eten ongezond en bewegen weinig. Ze worden dik, waardoor ze nóg minder gaan bewegen. Die vicieuze cirkel moeten we op tijd zien te doorbreken. Als je te lang wacht is die bewegingsarmoede nauwelijks nog te repareren.’ André Castens had het zich meer dan een halve eeuw geleden niet kunnen inbeelden. ‘Obesitas? Die kinderen kwamen net uit de oorlog. Graatmager, en nauwelijks te temmen!’
Lees meer over