Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
Meer dan de helft van de medewerkers en studenten van UvA en VU vinden een fusie van beide universiteiten geen goed plan. Dat blijkt uit een enquête naar aanleiding van de samenwerking tussen de drie bètafaculteiten in de Amsterdam Academic Alliance (AAA),  georganiseerd door de Centrale Ondernemingsraad (COR) van de UvA in samenwerking met de ondernemingsraden van de bètafaculteiten

Radboud Winkels Radboud Winkels

In de enquête werd aan respondenten een aantal stellingen voorgelegd waarvan zij op een vijfpuntsschaal konden aangeven in hoeverre zij het met de betreffende stelling eens waren. De resultaten laten volgens COR-voorzitter Radboud Winkels ‘een gematigd positief beeld zien’ over de plannen. ‘Over het geheel genomen zijn medewerkers iets positiever dan studenten, maar gesplitst naar UvA- of VU-achtergrond zijn de respondenten met een VU-achtergrond positiever dan die met een UvA-achtergrond.’

Algemeen wordt aangenomen dat dit komt doordat de VU meer te winnen zou hebben bij de samenwerking dan de UvA: de VU is kleiner, huist gedeeltelijk in verouderde panden en staat momenteel financieel onder druk. Er vindt een omvangrijke reorganisatie plaats en vorige week kwam er een bestuurscrisis naar buiten als gevolg waarvan rector magnificus Lex Bouter opstapte. De respondenten (1560 in totaal, waarvan tweederde van de VU en een derde van de UvA), vulden de enquête in overgrote meerderheid in voordat de bestuurscrisis van de VU aan het licht kwam.

Met de stelling ‘De UvA en VU kunnen het best fuseren tot één universiteit’ was 53 procent het ‘helemaal oneens’ of ‘enigszins oneens’. Meer dan de helft van de ondervraagden vindt dus dat een fusie van UvA en VU geen goed plan is. Overigens is dit ook niet de bedoeling: het gaat om vergaande samenwerking waarbij de drie bètafaculteiten (twee van de VU en één van de UvA) vermoedelijk opgaan in een vennootschap onder firma, een rechtsvorm waarbij UvA en VU beide firmant zijn in een gezamenlijke organisatie met één bestuur. Een echte fusie in juridische zin is wettelijk niet mogelijk.

Op de stelling ‘Samenwerken of fuseren kan pas als de andere universiteit zijn zaakjes net zo goed op orde heeft als wij’ antwoordde 55 procent ‘helemaal mee eens’ of ‘enigszins mee eens’. Nog eens 25 procent stond neutraal (‘niet eens, niet oneens’) tegenover deze stelling.

Imago
De kwaliteit van het primaire proces gaat naar verwachting omhoog. Met de stelling ‘De samenwerking UvA-VU verhoogt de kwaliteit van onderwijs en onderzoek’ was meer dan de helft van de respondenten het ‘helemaal eens’ of ‘enigszins eens’. Ook het imago van beide instellingen zal volgens respondenten niet leiden onder de samenwerking. Met de stelling 'Verdergaande samenwerking tussen UvA en VU is goed voor ons imago’ was zestig procent het eens.

De enquête bevatte ook een open vraag waarin respondenten zelf konden aangeven wat volgens hen ‘de kansen’ en ‘de bedreigingen’ zijn van de samenwerking. Daaruit kwamen gemengde reacties naar voren. Onder ‘kansen’ werden genoemd ‘meer massa, dus grote kans op subsidies’ en ‘sterke wervingspositie internationale studenten’. Onder ‘bedreigingen’ werden genoemd ‘meer managementlagen, dus moeilijker communicatie met de werkvloer’, ‘minder persoonlijk contact’ en ‘groot financieel risico’.

De medezeggenschapsorganen van UvA en VU zullen de resultaten van de enquête  meenemen in hun gesprekken met UvA- en VU-bestuurders over de samenwerking. Vooralsnog is 19 april de eerstkomende belangrijke datum: dan zullen de raden van toezicht van UvA en VU beslissen of ze het groene licht geven aan de AAA, waarvan de gezamenlijke UvA-VU bètafaculteit zoals gezegd een onderdeel is. Als de toezichthouders akkoord gaan wordt het plan ter instemming voorgelegd aan de medezeggenschapsorganen van beide instellingen.

Zie hier voor meer resultaten van de enquête (pdf).