Niks meer missen?
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
Foto: Mina Etemad
actueel

Moet UvA-museum Vrolik naam wijzigen om racistische denkbeelden naamgever?

Dirk Wolthekker,
14 oktober 2020 - 07:07

VU-historica Dienke Hondius werkte mee aan de bundel Slavernij in Oost en West over slavernij in Amsterdam en schreef een bijdrage over het raciale denken van negentiende-eeuwse natuurwetenschappers, onder wie UvA-hoogleraar anatomie en botanie Gerardus Vrolik (1775-1859). Zijn opvattingen over de zwarte mens blijken racistisch. Vijf vragen aan Laurens de Rooy, conservator van Museum Vrolik, het anatomisch museum van het Amsterdam UMC.

Dit lijkt me geen fijne publiciteit: de naamgever van jullie museum is een racist. Tenminste zo wordt hij wel geportretteerd.

‘Inderdaad, Vrolik is zeker te beschouwen als een vertegenwoordiger van het negentiende-eeuwse wetenschappelijk racisme, maar we moeten ook bedenken dat vele negentiende-eeuwse natuuronderzoekers raciale denkbeelden hadden. Voor de moderne lezer (inclusief mijzelf) zijn de rasaanduidingen niet fijn om te lezen, maar ze moeten dus in de context van hun tijd gezien worden, waarin slavernij, kolonialisme en witte (Europese) superioriteit ten opzichte van bewoners van andere delen van de wereld mee speelden.’

 

De zwarte mens was ‘dierlijk’, meende Vrolik en in zijn raciale hiërarchie was volgens onderzoeker Hondius in Het Parool de witte mens ‘superieur’ aan alle anderen. Hoe leg je dit aan bezoekers uit?

‘We zijn van plan om dat in een aparte tentoonstelling en in een publicatie aan de bezoekers te vertellen. Dat waren we al van plan, de actualiteit heeft ons alleen maar gesterkt in dat idee. Daarbij moet de hierboven genoemde context aan bod komen, maar bijvoorbeeld ook de toen heersende wetenschappelijke ideeën. Niet alleen uit de eerste helft van de negentiende eeuw, maar ook daarna. Welke rol speelde bijvoorbeeld het (sociaal) Darwinisme in de periode na de slavernij? Of de rol van de craniometrie, het zo “objectief” mogelijk schedels meten om zo rassen te definiëren.’

Foto: C.H. Hodges, W. van Senus (Stadsarchief Amsterdam)
Portret van Gerardus Vrolik

Ga je in de tentoonstelling ook een link leggen naar hedendaags racisme?

‘Natuurlijk. De tentoonstelling moet ook gaan over de huidige tijd, waarbij herkomstonderzoek, restitutie, maar ook nu nog bestaande racistische vooroordelen in de wetenschap en geneeskunde aan bod komen. Momenteel ben ik volop bezig met het onderzoek naar de raciale antropologische collectie van het museum. Enerzijds om de betekenis hiervan voor de ontwikkelingen en veranderingen in de wetenschappelijk racistische denkbeelden beter te kunnen duiden, anderzijds om meer te weten te komen over de herkomst van de collectie, bijvoorbeeld vanuit het oogpunt van restitutie, zoals we vorig jaar hebben gedaan met de teruggave van Maori-resten aan Nieuw-Zeeland.’

‘Ik ben geen voorstander van het veranderen van namen, maar wel van het geven van extra informatie over waarom een museum die naam draagt’

Wat gaat Museum Vrolik doen rond de collectie van vader Gerardus en zoon Willem Vrolik: meer dan 10.000 anatomische en medische objecten, deels uit de voormalige koloniën.

‘Vanwege de coronapandemie zijn we nog steeds gesloten voor het publiek, maar wanneer we weer open gaan kan ik mij voorstellen dat we in de bestaande museumpresentatie door middel van een aparte (self guided) museumtour dit onderwerp, inclusief de rol van vader en zoon Vrolik, aan bod laten komen. Tot het moment dat we natuurlijk die aparte tentoonstelling hierover gereed hebben.’

 

Wordt de naam van het museum wat jou betreft gewijzigd of moeten we die handhaven? En wat moeten we met de Vrolikstraat?

‘Ik ben geen voorstander van het veranderen van namen, maar wel van het geven van extra informatie over waarom een museum of straat die naam draagt en sinds wanneer dat zo is. Hierbij moeten ook de voor ons minder aangename elementen van zo’n persoon genoemd worden. Zo snappen we enerzijds dat iemand nooit helemaal in alles “het goede” vertegenwoordigde en bovendien dat door de tijd heen opvattingen over wat goed (of verwerpelijk) is kunnen veranderen. Door die naamgeving leren we zo ook het belang van geschiedenis in te zien.’