Foto: Sebastiaan Broere (bewerking Folia)
actueel

‘Als mensen vragen hoe Indonesië was, moet ik zeggen dat ik vooral in het archief zat’

Henk Strikkers,
9 juli 2019 - 13:31

De zomer is voor veel wetenschappers de ideale periode om veldwerk te gaan doen. Wij praten iedere week met een van hen. Deze week: geschiedenispromovendus Sebastiaan Broere. Hij verbleef tweeënhalve maand in Indonesië voor onderzoek naar de landbouwontwikkeling aldaar in de jaren vijftig en zestig.

Waarom was je in Jakarta?

‘Ik was vooral op bronnenjacht. In Nederland vind je redelijk veel bronnen vanwege de historische connectie tussen Indonesië en Nederland, maar het is essentieel om ook daar te zoeken. Ik heb veel tijd doorgebracht in het Nationaal Archief en bibliotheken van universiteiten en onderzoeksinstituten. Ik ging een beetje op de bonnefooi, omdat de e-mails die ik stuurde onbeantwoord bleven, en er geen online catalogi zijn. Je moet ter plekke regelen dat je naar binnen mag, en hopen dat er nuttige bronnen liggen. Dat is soms een teleurstelling, soms gebeurt er iets leuks maar is het alsnog een teleurstelling, en soms vind je iets nuttigs.’

‘Dit was in Bandung, bij één van de instituten op provincieniveau waar ik een research permit voor onderzoek moest aanvragen. Voor dit document ben ik 18 uur onderweg geweest. Ik was blij, want eenmaal daar ging alles heel voorspoedig’

Hoe ziet een dag eruit?

‘Ik woonde in Jakarta op loopafstand van het Nationaal Archief, op een kamertje dat ik via een soort Indonesische Kamernet had gevonden. Voordat ik naar het archief kon, ben ik eerst twee weken bezig geweest met het in orde brengen van alle papieren. Ik moest bijvoorbeeld een keer achttien uur reizen om twee brieven naar een politiekantoor te brengen om te melden dat ik onderzoek deed in die regio. De bureaucratie is tijdverslindend, maar zorgt er ook voor dat je je beter kunt inleven in een land.

Toen het allemaal rond was, stond ik meestal om 7 uur op, at wat, en wandelde vervolgens naar het archief. Op weg daar naartoe kwam ik elke dag een oude vrouw met wie ik wat kletste. Vaak vertelde ze me hetzelfde verhaal – dat ze vroeger dicht bij het Nationaal Archief woonde, maar dat dat nu niet meer kon omdat haar benen “ziek” waren. Ik bleef tot sluitingstijd in het archief – 14 of 15 uur, afhankelijk van of het ramadan was of niet – en werkte dan thuis verder, bijvoorbeeld aan een report dat ik moest inleveren om mijn exit permit uit Indonesië te krijgen.’

‘Ik zou het mooi vinden om naast mijn dissertatie ook iets te schrijven waarmee ik kan bijdragen aan debatten over huidig Indonesisch landbouwbeleid’

Wat ga je met de resultaten doen?

‘Ik promoveer op landbouwontwikkeling in Indonesië na de onafhankelijkheid in 1945 en kijk in het specifiek naar de rol van kennis en wetenschap. Dit moet dus leiden tot mijn promotie. Ik heb veel nuttige documenten gevonden, bijvoorbeeld verslagen van de landbouwvoorlichtingsdienst, stukken van het leger over landbouwhervorming, en landbouw-sociologische onderzoeken uitgevoerd door de communistische partij. Daaruit bleek dat zij eigenlijk meer kennis hadden over landbouw dan de staat.

Grappig waren allerlei brieven van een Nederlander, ene Van der Meulen, die echt naar iedereen – president Soekarno, vice-president Hatta, adviseurs, ministers – brieven schreef om hen te overtuigen van zijn biologische landbouwmethode. Daaruit sprak enorm opportunisme – de staat kon meteen een speciale machine van hem kopen – en ook een overtuiging van zijn gelijk. Die naam was ik in Nederland nog nauwelijks tegengekomen.

Ik heb in Indonesië vooral heel veel gewerkt, en nog niet echt de tijd gehad om te reflecteren op wat ik heb gevonden. Ik zou het mooi vinden om naast mijn dissertatie ook iets te schrijven waarmee ik kan bijdragen aan debatten over huidig Indonesisch landbouwbeleid. Discussies die destijds speelden – zoals het spanningsveld tussen zoveel mogelijk produceren of boeren een beter leven bezorgen – spelen nu immers nog steeds.’

 

(Lees verder onder de afbeelding)

‘Mijn bureautje in de “verboden bibliotheek”, met op tafel een geïmproviseerde asbak’

Voelt het nu als vakantie, of toch vooral als werk?

‘In Jakarta was ik toch vooral aan het werk en het is geen mooie stad met parken. Op zondag wilde ik een beetje rust, dus ging in de buurt een eindje wandelen op zoek naar goede koffie. Ik heb weinig musea bezocht en één vulkaan beklommen. Dat vinden mensen soms raar. Nu ik terug ben vraagt iedereen: “Hoe was Indonesië?”, en dan moet ik zeggen dat ik vooral in het archief heb gezeten.

In bibliotheken maak je wel leuke dingen mee. Ik kwam in de catalogus van een bieb bijvoorbeeld steeds tegen dat ik boeken van de eerste verdieping moest raadplegen, maar ik kon alleen de tweede en derde etage vinden. Toen ik dat vroeg leidde een bibliotheekmedewerker me door een gangetje, via een wenteltrap, naar een kelder waar helemaal niemand was, behalve een aantal bewakers. Het voelde als een soort gevangenis, met allemaal boekenkasten achter tralies. Zij deden eerst moeilijk en zeiden dat het verboden was om daar te zijn. De boeken zagen er ook zo uit: ze zaten helemaal onder het stof en waren aan het vergaan. Dat is pijnlijk, maar ook wel een droom voor een historicus.

Op een gegeven moment zei zo’n bewaker tegen me: “Wist je dat je hier mag roken?” Ik rook normaal niet, maar ik houd wel van kreteksigarettenKreteksigaretten zijn sigaretten met kruidnagel erin. Als ze worden aangestoken gaan de oliën in de sigaret knetteren, vandaar de naam., die ze in Indonesië roken. Toen heb ik met die man in de kelder een sigaretje gerookt. Hij vroeg me wat voor kruiden we in Nederland zoal gebruiken. Ik vertelde het hem: “Gewoon, een beetje van alles.” “Dan moeten we een business beginnen!” zei hij. Ik heb zijn telefoonnummer opgeschreven, en toen was het ijs gebroken. Daarna mocht ik alle boeken bekijken die ik wilde.’