Foto: Luuk van Dijk
actueel

UvA-scriptieprijswinnaar wil ‘recht op antwoord’ bij mediapublicaties

Dirk Wolthekker,
17 juni 2019 - 15:47

Alumnus informatierecht en journalist Jan van Vegchel (57) won afgelopen zaterdag de UvA Scriptieprijs 2019. Hij deed onderzoek naar de manieren waarop burgers zich kunnen verzetten tegen onjuiste of onvolledige mediapublicaties over hen. ‘Het geld dat ik heb gewonnen ga ik waarschijnlijk steken in een promotietraject, want ik wil verbonden blijven aan de universiteit.’

U was werkzaam bij het ANP, Omroep West en RTV Rijnmond, maar nu bent u mediajurist. Een flinke promotie.

‘Dat moet ik even nuanceren. Ik heb meer dan vijfentwintig jaar in de journalistiek gewerkt, waaronder ook bij het ANP en de omroep. Ik ben ook hoofdredacteur geweest. Dat klinkt misschien spannend, maar als je in het management zit ben je de hele dag aan het vergaderen. Dan denk je op een gegeven moment toch: wil ik dit nog?

Vanuit mijn managementfuncties kwam ik vaak in aanraking met juridische kwesties. Die vond ik zo interessant dat ik aan een bachelor rechten begon aan de Open Universiteit. Een daaropvolgend sabbatical heb ik gebruikt om aan een master te beginnen met deze prijs als gevolg. Ik werk nu drie dagen per week als docent journalistieke vaardigheden aan het Grafisch Lyceum in Rotterdam en twee dagen per week als mediajurist werkzaam bij advocatenkantoor ABC Legal in Amsterdam.’

‘Vroeger, in het papieren tijdperk, kon je nog zeggen: “Morgen wordt de vis er weer in verpakt.” Maar nu blijf je eindeloos op internet zichtbaar’

Welk probleem wilde u aankaarten met deze scriptie?

‘Het probleem dat mensen die in de media onprettig, onheus, onjuist of onvolledig worden neergezet vaak geen effectieve verweermogelijkheden hebben. Ze komen dan terecht op Facebook of Twitter, maar dat is vaak weinig constructief. Maar dat is wel nodig in dit digitale tijdperk. Vroeger, in het papieren tijdperk, kon je nog zeggen: “Morgen wordt de vis er weer in verpakt.” Maar dat kan nu niet meer. Je blijft eindeloos op internet zichtbaar.’

 

U zegt dat er vier manieren zijn om verhaal te halen bij onjuiste mediapublicaties: de journalist aanspreken, bij een ombudsman klagen, naar de Raad voor de Journalistiek stappen en een gang naar de rechter. Dat is allemaal vaak een hoop gedoe.

‘Dat is precies waar ik iets aan heb proberen te doen in mijn scriptie. Al die kanalen leiden vaak niet tot een snelle oplossing van je probleem. Bij de Raad voor de Journalistiek of een ombudsman duurt het een tijd voor je klacht in behandeling wordt genomen, naar de rechter stappen kost geld en je hebt een advocaat nodig. In het beste geval word je in het gelijk gesteld, maar dan ben je maar zo een half jaar verder. Ondertussen staat de onjuiste of onvolledige berichtgeving gewoon online. En bovendien: als er al een rectificatie komt, blijft de foute berichtgeving vaak gewoon staan. Dan ben je de sigaar.’

‘Ik heb precies dezelfde studie gedaan en volgens precies dezelfde regels als jongere studenten’

U pleit voor het invoeren in Nederland van het ‘recht van antwoord’ waarmee een persoon in een digitaal medium kan reageren op een onjuiste publicatie.

‘Inderdaad. Het idee is dat je als klagende partij direct het recht krijgt op een weerwoord via een link of verwijzing in de tekst, waar de redactie wel op kan reageren, maar niet in ingrijpen. Maandag een fout, dinsdag jouw weerwoord. Het klinkt wat kort door de bocht, maar daar komt het op neer.’

 

Krijg je niet snel discussie over wat juist of onjuist is, terecht of onterecht, of feit dan wel fictie?

‘Ik heb gekeken hoe een vergelijkbaar systeem werkt in Duitsland en Vlaanderen. Daar hebben ze een soort regeling, maar daar zitten inderdaad ook weer haken en ogen aan. Duitsland heeft een erg ingewikkelde en formalistische regeling. Erg juridisch, waardoor een klacht vaak op vormtechnische gronden wordt afgewezen. In Vlaanderen is er ook vaak gesteggel over, want daar geldt de regeling alleen voor audiovisuele of papieren publicaties en niet voor digitale media-uitingen en daar gaat het juist om.’

 

U bent een laatbloeier, zo te zien. Ik hoor studenten al denken: een vijftigplusser gaat er met onze prijs vandoor.

Lachend: ‘Dat kan ik me wel voorstellen, maar ik kan er verder weinig aan doen. Ik heb precies dezelfde studie gedaan en volgens precies dezelfde regels als jongere studenten. Een jury heeft kennelijk voor mij gekozen. Ik hou erg van studeren en wil me blijven ontwikkelen. Het geld dat ik heb gewonnen ga ik waarschijnlijk steken in een promotietraject, want ik wil verbonden blijven aan de universiteit.’