Foto: Hanne Nijhuis (UvA)
actueel

Specialiseren of juist een brede studie? UvA-socioloog Thijs Bol zocht het uit

Irene Schoenmacker,
19 maart 2019 - 14:40

Wie een heel specifieke opleiding heeft gevolgd, heeft meer kans op werk en een hoger loon, ontdekte socioloog Thijs Bol. Maar tijdens een crisis kan een brede opleiding juist weer heel handig zijn: kwestie van kansenspreiding. ‘Het idee dat we kunnen voorspellen welke vaardigheden over vijftig jaar belangrijk zijn, is een illusie.’

Waar ging uw onderzoek precies over?

‘Er is veel discussie over hoe we mensen moeten opleiden. Is het bijvoorbeeld zo dat als we mensen heel specifieke vaardigheden aanleren ze niet zo flexibel zijn op de arbeidsmarkt? Drie andere wetenschappers en ik hebben dat onderzocht in drie landen: Frankrijk, Duitsland en de Verenigde Staten. Allemaal hebben ze een heel ander onderwijssysteem en wij wilden onderzoeken of het nu goed is om een specifieke of juist een brede opleiding te volgen, en wat voor gevolgen dit heeft voor baankansen en de hoogte van het loon.’

Foto: Gerard van Hees (UvA)

Wat kwam daaruit?  

‘Dat het hebben van een specifieke opleiding goed en gunstig is. Deze mensen hebben gemiddeld gezien een hoger loon en zijn minder vaak werkloos. Tegelijkertijd geldt dit effect alleen voor mensen die inderdaad gaan werken in het beroep waarvoor ze zijn opgeleid. Wanneer twee mensen, bijvoorbeeld Gerard en Hans, een opleiding tot lasser volgen en Hans besluit uiteindelijk toch iets anders te gaan doen, is dat nadelig voor hem. Hij krijgt veel minder loon dan Gerard.’

 

Je zou dus kunnen zeggen: de angst om te veel mensen specifiek op te leiden is dus terecht.

‘Er is inderdaad geen perfecte oplossing. Voor mensen die weten wat ze willen, en die een beroep willen doen waarvoor plek is op de arbeidsmarkt, is een specifieke opleiding heel goed. Maar als diegene toch wat anders wil doen, is het lastiger een andere baan te vinden. Iemand met een brede opleiding heeft dan weer meer keus, en dus minder makkelijk een mismatch. Het is een ingewikkelde puzzel.’

 

Wat kan de overheid met deze uitkomsten?

‘De overheid is bang dat mensen die specifiek zijn opgeleid wellicht minder kunnen worden ingezet als ze ouder worden. Wie in de jaren 70 opgeleid is tot loodgieter of automonteur heeft kennis die veel minder relevant is voor nu. Het is goed om na te denken wie we specifiek willen opleiden en hoeveel plek er is voor die mensen. Moeten we iedereen die arts wil worden zomaar toelaten?’

‘Het hebben van een specifieke opleiding is goed en gunstig. Deze mensen hebben gemiddeld gezien een hoger loon en zijn minder vaak werkloos’

Betekent dat meer studentenstops?

‘Nee, want het is heel moeilijk om te voorspellen waar straks vraag naar is. Kijk naar de bouw: in de crisis was er geen vraag meer en nu de crisis voorbij is hebben we spijt dat we niet meer mensen hebben opgeleid. Ik pleit zeker niet voor meer numeri fixi. Maar als heel veel mensen op een andere plek terechtkomen dan waarvoor ze zijn opgeleid, leren ze dan wel de goede vaardigheden?’

 

Hoe zit het met de bredere opleidingen, zoals sociologie of filosofie: is het inderdaad minder gunstig om als student een dergelijke studie te kiezen?

‘Nee, dat denk ik helemaal niet. Mensen die een algemene opleiding volgen, komen niet slecht terecht. Ze waaieren uit over verschillende beroepen en dat maakt het dus ook zo lastig om over het economische nut van de opleiding te praten. Als je tandheelkunde studeert, word je tandarts, dat is heel logisch. Dat is ook de “last” die een opleiding als bijvoorbeeld sociologie heeft. Tegelijkertijd komen ook deze alumni goed terecht bij verschillende beroepen en verdienen ze een best goed loon.’ 

‘Ik geloof totaal niet in 21st century skills, het idee dat we nu kunnen voorspellen welke vaardigheden over vijftig jaar van belang zijn is een illusie’

Hoe staat dit onderzoek in verhouding tot de 21-eeuwse vaardigheden, die de laatste jaren in het onderwijs veel op het schild worden gehesen?

Thijs moet lachen. ‘Uit mijn hoongelach kun je wel afleiden wat ik daarvan vind: ik geloof er totaal niet in. Het is belangrijk om na te denken over welke vaardigheden we studenten meegeven, maar het idee dat we nu kunnen voorspellen welke vaardigheden over vijftig jaar van belang zijn is een illusie. We moeten onze kinderen reken- en taalvaardigheden meegeven, zoals we eigenlijk al deden, want we weten dat wie deze basisvaardigheden bezit ook sneller in staat is andere dingen aan te leren. Je kunt kinderen leren programmeren, of juist op de logica erachter inzetten. Het tweede geval is in mijn ogen veel handiger, juist omdat het zo lastig is te voorspellen wat over dertig of vijftig jaar relevant is.’

 

Het onderzoek richt zich op salaris en baankansen. Maar is geluksgevoel niet veel belangrijker bij een baan?

‘Dat is een goeie vraag. Mensen voelen zich gelukkig als ze veel autonomie hebben, hun creativiteit kwijt kunnen en iets maken waar ze goed in zijn. Je kunt je voorstellen dat de eerder genoemde twee zijden van de medaille hier ook gelden. Als je een opleiding hebt gedaan tot metselaar, jarenlang hebt geleerd hoe je op verschillende manieren kunt metselen en daar je passie in kwijt kunt, is dat goed voor het geluksgevoel en werkgeluk. Maar wie een opleiding heeft gedaan en geen werk kan vinden, is minder gelukkig.’

 

Wat betekent uw onderzoek voor het imago van het mbo?

‘Ik denk dat de uitkomsten heel gunstig zijn voor het mbo: het is een positief signaal. Ik lees uit onze bevindingen dat we niet naar het Amerikaanse model toe moeten, waar nauwelijks opleidingen zijn voor vakmensen. Daar leren mensen de vaardigheden echt nog in het beroep zelf. Iemand kan bijvoorbeeld elektricien zijn én lasser én timmerman. Die veelzijdigheid klinkt heel mooi, maar de vraag is wat voor kwaliteit het oplevert. We moeten trots zijn in Nederland op onze vakmensen en zouden het mbo alleen daarom al moeten koesteren.’

 

Het onderzoek werd vandaag gepubliceerd in het tijdschrift American Sociological Review. Het is hier open access (pre-print) te lezen.