Foto: Privéarchief Niek van Dijk
actueel

‘Als je het leuk vindt, kost promovendi begeleiden niet veel tijd’

Henk Strikkers,
14 januari 2019 - 09:23

Hoewel hij met emeritaat is, begeleidde hoogleraar orthopedie Niek van Dijk (67) vorig jaar de meeste UvA-promovendi tot hun hora est. Maar liefst acht keer trad hij op als promotor. We bellen met Van Dijk, die in Panama is voor een wetenschappelijk congres. ‘Morgen vlieg ik terug, want komende week is er weer een promotie gepland.’

Hoe komt het dat u vorig jaar acht keer promotor was?

‘In 1998, meer dan twintig jaar geleden, zijn we begonnen met ons onderzoekscentrum Orca [Orca staat voor Orthotrauma Research Centre Amsterdam]. Daarmee hebben we een goede structuur en een aantal succesvolle onderzoekslijnen neergezet. Ik denk dus dat het geen toeval is, maar een gevolg van bewuste keuzes die goed hebben uitgepakt. En de toekomts is ook rooskleurig. Het recente samengaan met het VUmc is goed voor ons onderzoek, want op het gebied van orthopedie en bewegingswetenschappen heeft de VU een prima reputatie. Bij mijn opvolger Gino Kerkhoffs zijn inmiddels ook een behoorlijk aantal onderzoekers gepromoveerd.’

 

Heeft het ook iets met uw emeritaat te maken?

‘Dat zal zeker een rol spelen. Een aantal van degenen die vorig jaar promoveerden waren al wat langer bezig, een vanaf 2005 bijvoorbeeld, en een vanaf 2007. Als emeritus-hoogleraar mag je de eerste vijf jaar nog optreden als promotor. Mijn promovendi zullen ook wel aangevoeld hebben dat de tijd begint te tellen. In totaal heb ik de afgelopen jaren 46 promovendi begeleid en er zitten er nu nog zo’n vijftien in de pijplijn.’

‘Idealiter zou iedere arts eigenlijk gepromoveerd moeten zijn en ervaring moeten hebben met het doen van onderzoek, en met het lezen van andermans onderzoek’

Hoe is het om zoveel promovendi te begeleiden?

‘Ik vond en vind het vooral leuk, en als iets leuk is kost het niet veel tijd. Ik ben iemand die vindt dat een promotie voornamelijk de verantwoordelijkheid van de promovendus is. Bij sommige promovendi merk ik dat ze in het begin denken dat ze het niet voor zichzelf doen, maar vaak komt na een tijdje dat besef wel.

Iedere promovendus is weer anders. Soms stuur je alleen een beetje bij, soms ben je aan het motiveren, soms participeer je zelf in onderzoeken, maar in alle gevallen breng je structuur. Patiëntenzorg vond ik het allerleukste, maar het begeleiden van promovendi komt op een goede tweede plaats. Nu ik met emeritaat ben heb ik daar ook meer tijd voor.’

 

Kwam u nog wel toe aan zelf onderzoek doen?

‘Vaak deed ik mijn onderzoeken samen met promovendi, zeker als het ging om patiëntgebonden onderzoeken. Dat is mooi: daarmee kun je de promovendus, de patiënt en je eigen onderzoek helpen.’

Niek van Dijks patiënten

Van Dijk is is gespecialiseerd in sporttraumatologie en behandelt daarom vaak bekende sporters met een blessure aan de enkel. Bij zijn afscheid van het AMC organiseerde het academisch ziekenhuis een expositie met gesigneerde shirts van voetballers die Van Dijk hielp. Onder meer Cristiano Ronaldo, Klaas-Jan Huntelaar, Robin van Persie en Zlatan Ibrahimovic gaven Van Dijk een gesigneerd shirt cadeau. Van Dijk hielp echter ook andere sporters, zoals tennisser Vera Zvonareva en basketballer Juan Carlos Navarro.

Wordt er niet te veel gepromoveerd in de wetenschap?

‘Ik denk het niet. De samenleving is gebaseerd op het vertrouwen dat de wetenschap met oplossingen komt om van alles efficiënter, beter en sneller te maken. Daar hoort bij dat er veel onderzoek gedaan wordt en er dus ook veel gepromoveerd wordt.

Idealiter zou iedere arts eigenlijk gepromoveerd moeten zijn en ervaring moeten hebben met het doen van onderzoek, en met het lezen en begrijpen van andermans onderzoek. De zorg die je levert wordt daar beter van.’

 

Volgende week is er dus alweer een promotie gepland. Hoeveel keer verwacht u komend jaar als promotor op te treden?

Lachend: ‘Ik denk dat we alvast een belafspraak voor volgend jaar kunnen inplannen, want tot de zomer zijn het er al vijf. De kans is groot dat het er dit jaar weer een stuk of acht worden.’