Foto: Archief Folia
actueel

Humphrey Lamur: ‘Er zijn zó weinig zwarte mensen in de wetenschap’

Marleen Hoebe,
30 december 2018 - 08:20

Gepensioneerd hoogleraar Humphrey Lamur was een van de eersten die begon met het onderzoek naar de plantages in Suriname. Dit jaar kreeg hij, na vele eerdere onderscheidingen, de Black Achievement Award voor wetenschap. ‘Nederlanders weten eigenlijk heel weinig over de slavernij, ook wetenschappers.’

Emeritus hoogleraar Humphrey Lamur (85) woont vanaf zijn zestiende in Nederland. Hoewel zijn ouders uiteindelijk weer terug gingen naar Suriname, bleef hij hier. Na zijn middelbare school en het Amsterdamse Muziek Lyceum begon hij als student aan de UvA. Daarna volgde een promotie, werd hij in 1972 wetenschappelijk hoofdmedewerker en uiteindelijk hoogleraar culturele antropologie.

 

Al twintig jaar is hij met emeritaat, maar kan hij het niet laten om nog wat wetenschappelijk onderzoek te doen. ‘Mijn vrouw heeft vijf jaar geleden tegen me gezegd: “En nu moet je stoppen”,’ vertelt hij. ‘We hebben uiteindelijk een soort compromis bereikt dat ik nog drie uur per dag mag werken.’

 

Voor zijn voortrekkersrol en onderzoekskwaliteiten ontvangt Lamur nog steeds prijzen. Tijdens de Black Achievement Month in oktober kreeg hij de Black Achievement Award voor wetenschap, onder meer voor zijn onderzoek naar slavernij en voor het opbouwen van een historische database van Suriname. ‘Ik denk dat ik de eerste ben die hier onderzoek naar deed.’

 

In zijn kantoortje in zijn huis in Amstelveen hangen nog meer onderscheidingen aan de muur, zoals een benoeming van de president van Suriname. Folia praat in zijn kantoortje met hem over deze onderscheidingen en zijn UvA-carrière.

Foto: Collectie Tropenmuseum
Een plantage in Suriname

Wat voor student was u?
‘Toen ik student was, vond ik Amsterdam heel leuk. Andere studenten vonden me echter niet echt een Amsterdamse student, want ik verhuisde niet - ik heb maar op drie adressen gewoond -, ik dronk niet en roken deed ik al helemaal niet. Dan deed je toch niet helemaal mee. Maar verder was het een leuke en goede tijd. Ik studeerde sociologie en antropologie. Dat was toen nog één studierichting; die destijds echt gericht was op het verbeteren van de wereld. We geloofden er ook wel een beetje in hoor.’

 

Hoe keken uw medestudenten naar u?
‘Ik had het erg leuk met mijn medestudenten. Ze waren allemaal zeer verschillend. Een van hen was Gerhard DurlacherGerhard Durlacher kreeg in 1996 een eredoctoraat aan de UvA en schreef voor die tijd een aantal boeken over de Tweede Wereldoorlog. Hij was de vader van Jessica Durlacher.; hij was een Joodse jongen die tijdens de oorlog met zijn ouders in Duitsland was terechtgekomen. Deze kwestie was toen nog heel gevoelig. Toch vertelde hij mij gelijk dat hij vroeg was gescheiden van zijn vader, en dat zijn moeder toen hij zeven jaar oud was werd weggehaald. Hij holde zijn moeder nog achterna, maar het enige wat hij zich nog kon herinneren, was die grote laars van de Duitser in zijn gezicht. Toen ik dit verhaal aan mijn moeder vertelde, zei ze: “Je moet goed luisteren.” Pas jaren later, ik was al hoogleraar, vertelde Gerhard dat hij mij dit allemaal verteld had omdat ik tenminste luisterde. We zijn nog heel lang vrienden gebleven.’

‘Dat mijn overgrootmoeder slavin was, geeft me een sterke binding met dit onderwerp’

U was een van de eersten die onderzoek deed naar de slavernij. Hoe kwam u hierbij terecht?
‘Het is misschien opmerkelijk, maar pas lang na mijn studie ben ik me met slavernijonderzoek bezig gaan houden. Na mijn doctoraal heb ik vanaf februari 1962 tot en met september 1964 in Suriname gewoond en gewerkt. Daarna ben ik naar Nederland vertrokken en in 1965 weer teruggekeerd naar Suriname. In 1971 vertrok ik weer naar Nederland, om er te blijven. Ik kreeg een baan bij de UvA, een vrij hoge positie, namelijk wetenschappelijk hoofdmedewerker antropologie. Daar begon je normaal niet mee. In die tijd startte ik met het onderzoek naar slavernij. Mijn overgrootmoeder was slavin.’

Lamur laat een foto van haar zien die in zijn kantoortje hangt. ‘Ik heb haar nog gekend, toen was ik zes jaar oud. Dit is heel gevoelig en geeft me een sterke binding met dit onderwerp. Ik weet niet of het me bewust bij dit onderzoek heeft gebracht, maar in ieder geval heb ik veel belangstelling voor de verhalen rondom de plantages. Ik onderzoek wat er precies op de plantages gebeurde; hoe die mensen werden behandeld. Fijn was het niet hoor. Nederlanders weten eigenlijk heel weinig over de slavernij, ook wetenschappers.’

 

Waarom werd hier geen onderzoek naar gedaan?
‘Ik weet niet waarom wetenschappers hier zo weinig aandacht aan hebben gegeven. Een collega zei: “Misschien is het valse schaamte, wilde men die verhalen niet meer boven tafel krijgen.” Ik weet het niet. De verhalen zijn wel heel triest. Kindslavinnen van veertien jaar die zwanger raken van een blanke planter, mannen en vrouwen die gescheiden worden van hun partner, dat de man wordt verkocht en de vrouw niet, of andersom. Dit gebeurde overigens niet alleen op de Surinaamse plantages, ook in het zuiden van de Verenigde Staten.’

Foto: Marleen Hoebe
Verslag van een zendeling in het Gotisch

Hoe voerde u uw onderzoek uit?
‘Je hebt een aantal bronnen die je kunt gebruiken, onder andere de slavenregisters. Voor 1828 werd de registratie nog uit losse pols gedaan. Toen waren slaven, onder wie mijn voorouders, nog dingen. Na 1828 werd bepaald dat slaven geen dingen meer waren; ze werden mensen.

In de registers staan de voornamen van de personen die geregistreerd zijn. Dit is één mogelijkheid om iets te weten komen over slavernij. Een andere bron die ik liever gebruik zijn de verslagen van zendelingen en priesters die godsdienst verspreidden onder de slaven. Hiermee leer je wat er precies gebeurde op de plantage. De verslagen staan alleen wel in het oud-Duitse Gotisch en zijn opgeschreven in het Sütterlinschrift. Wij transcriberen dit eerst naar modern Duits. Mijn vrouw is hier heel goed in en steunt mij daarin. Ik lees dan samen met collega’s de verhalen en die interpreteren we. Soms wordt er bijvoorbeeld een term gebruikt die je normaal heel erg zou vinden, maar eigenlijk bedoelen ze daar iets anders mee. De interpretaties zijn heel erg belangrijk.

Verder gaan we na of de verschijnselen die we lezen ook voorkwamen op andere plantages of in hele andere slavenmaatschappijen, bijvoorbeeld in het zuiden van de Verenigde Staten. Als een kindslavin een kind krijgt met een blanke planter, dan hebben we niet meteen een oordeel van: “zie je hoe slecht de Nederlanders waren”. Eerst kijken we of het ook op andere plekken gebeurde. Dat vergelijkende onderzoek is ook heel belangrijk.’

 

Voor uw onderzoek hebt u verschillende onderscheidingen gekregen, onder andere een benoeming van de president van Suriname. Waarom kreeg u dit?
‘Suriname vond dat ik een soort waardering moest krijgen, daarom heeft de president van Suriname mij 8 september 2001 op benoemd tot officier in de Ere Orde van de Gele SterDe Ere orde van de Gele Ster is een Surinaamse orde van verdienste.. Die is mij opgespeld door Liesbeth Vanenburg, de vrouw van de toenmalige president Ronald Venetiaan. Dat was erg leuk.’ Dan zegt Lamur glimlachend: ‘Ik moet dit alleen wel teruggeven als ik overlijd. Dat is wel interessant.’

Humphrey Lamur

2018 – heden Lid van het Stichtingsbestuur van de Historische Database van Suriname, Radboud Universiteit

1984 – 1998 Hoogleraar culturele antropologie, UvA

1972 – 1984 Docent antropologie, UvA

1973 Proefschrift over de demografie van Suriname tussen 1920 en 1970

1969 – 1971 Directeur Algemeen Bureau v/d Statistiek in Suriname
28 september 1933 Geboren te Paramaribo, Suriname

In oktober hebt u ook de Black Achievement Award voor wetenschap ontvangen. Wat vindt u daarvan?
‘Ik denk dat de Surinaamse mensen hier in Nederland zich bezighouden met de vraag hoe Surinaamse kinderen kunnen opklimmen in de samenleving. Surinaamse kinderen hebben toch nog wel problemen hier op school. Ze denken bijvoorbeeld dat ze nooit professor kunnen worden.’

Lamur lacht en vertelt: ‘Iemand zei een keer: “Wat een zwarte professor, u bent zo zwart.” Ja, dat is nu eenmaal zo. Ik denk dat de organisatie van de Black Achievement Month vindt dat kinderen moeten weten dat er Surinaamse mensen zijn die het gemaakt hebben. Voor mij hoeft het niet gepaard te gaan met een Award; wat mij betreft hadden we daar kunnen paraderen en dat er dan werd gezegd: “Deze meneer is dit geworden.” Eigenlijk vind ik dat dit soort initiatieven niet alleen voor donkere mensen moet zijn. Je hebt ook blanke kinderen die het moeilijk hebben. Toch denk ik wel dat de Black Achievement Month zin heeft. Tijdens de uitreiking op het podium zei ik: “Jullie moeten meer de kant van de wetenschap op of iets dergelijks.” Maar ja, dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Er zijn zo weinig zwarte mensen met wetenschappelijke functies. De mensen zien er een beetje tegenop, zo van: dit is niet iets voor ons.’