Foto: Privéarchieven Geert ten Dam, Arnoud Boot & Meindert Fennema
actueel

‘“Wat moet je lezen voor het tentamen?” is echt een heel oude vraag’

Stella Vrijmoed,
30 oktober 2018 - 14:23

Folia bestaat zeventig jaar. Vandaag blikken we terug op de student. Is die eigenlijk veranderd door de jaren heen? Zijn studenten slimmer of dommer geworden en hoe zit het eigenlijk met hun motivatie? Folia sprak met hoogleraren die al een tijd in het vak zitten. ‘Studenten zeggen: “Waarom zou ik een dik boek lezen, als u het me ook kunt uitleggen. Ik betaal toch?”’

‘Vele studenten stellen aan de universiteit de eis, dat zij hen tot volwaardig mens zal opvoeden, en aan de docenten, dat de weg door de examens geplaveid en effen, nog liever tot een glijbaan wordt.’ Het taalgebruik verraadt dat de zin uit een Folia uit de jaren vijftig komt, maar de klacht klinkt wel bekend in de oren. In interviews met UvA-hoogleraren die minstens twintig jaar in het vak zitten, klonken soortgelijke observaties over de studenten van nu.

 

Hoepels

Meindert Fennema, emeritus-hoogleraar politicologie, begon met lesgeven op de UvA in 1973. Nu geeft hij les op het University College in Utrecht. ‘De kwaliteit van het onderwijs is nu veel beter. Vijftig jaar geleden gaf een hoogleraar een college over het boek dat ‘ie aan het schrijven was, en dat was het. Verder moest je zelf boeken lezen. En de tentamens bestonden uit een lijst van tien boeken waar je dan over moest gaan praten bij de docent. Er waren helemaal geen leerdoelen.’

 

Nu moeten studenten volgens Fennema door veel meer hoepels heen. ‘Je moet altijd aanwezig zijn, je moet assignments gedaan hebben, dan moet je ook nog een aantekening hebben dat je iets buiten je studie gedaan hebt, en dan gaan ze elkaar ook op zitten naaien. Want dan zegt er een: “ik doe er ook rechten bij”, en dan denkt die ander “hey, ik doe alleen politicologie, misschien moet ik ook wel iets erbij doen.” Het zijn hoepels van bureaucratische aard, maar ook hoepels die de studenten aan elkaar opleggen.’

‘De student van nu mag al blij zijn dat 'ie bij Folia een baantje krijgt’
Foto: Privé-collectie
Meindert Fennema in 1972

Volgens Fennema is met name de universiteit en de positie van de student veranderd. ‘Als je vijftig jaar geleden ging studeren, als het je lukte om af te studeren, dan had je gegarandeerd een fijne positie. Dat is nu absoluut niet meer het geval. De student is helemaal niet meer de geprivilegieerde jongeman die na vier jaar een ton gaat verdienen. Die mag al blij zijn dat ‘ie bij Folia een baantje krijgt.’

 

Dat betekent dat de student harder moet gaan werken: ‘Nu zijn studenten veel meer bezig met het opbouwen van hun cv. En ook voor docenten is het zwaarder, omdat het tempo zo hoog ligt. Ik moet nu vier uur achter elkaar college geven. De eisen die aan studenten gesteld zijn, zijn veel hoger dan vroeger. En het geld dat docenten krijgen is gehalveerd.’

Fennema gaat nog eens terug in de tijd: ‘Wij maakten vroeger een grapje over hoogleraren. Er konden maar twee redenen voor ontslag zijn: als hij langdurig was opgenomen voor een geestesziekte, of als hij seks had gehad met een student tijdens een examen. Je kon gewoon niet ontslagen worden. Je hoefde niet te publiceren, je deed het wel maar het hoefde niet. Nu worden er ongelooflijk veel eisen gesteld en de hiërarchie binnen het docentencorps is enorm toegenomen. Mensen die twee miljoen hebben gekregen van de Europese Commissie staan veel hoger dan iemand van 25 die aangenomen wordt om de scripties na te kijken. Het was vroeger allemaal wat gemoedelijker, maar ook aristocratischer.’

‘Ik zie dat studenten hier niet uit interesse zitten, maar om het tentamen te halen. En ik zie daar een neoliberale aanpak in terug’

En die veranderingen om zich heen, die merkt de student, zegt Fennema. ‘Die denkt: “ik ben de sluitpost, ik kom op de laatste plaats.” De student gedraagt zich als een consument, probeert aan al die eisen te voldoen en is bang dat ‘ie heel veel geld moet lenen en daardoor later geen hypotheek kan krijgen.’

 

Extreme efficiëntiegedachte

Die ontwikkelingen leiden volgens Frank Nack, UvA-docent van het jaar 2018 en opleidingsdirecteur van de master Information Studies, tot een extreme efficiëntiegedachte onder studenten. Ook hij ziet dat studenten zich als een klant gedragen: ‘De studenten zien studie als een service die ze afnemen en zichzelf als klant. Ik merk irritaties op als ik zeg dat de student iets zelf moet uitzoeken: “Waarom zou ik een dik boek lezen, als u het me ook kunt uitleggen. Ik betaal toch?”’

 

‘Maar studenten snappen niet dat het leven in tweeduizend jaar niets is veranderd,’ zegt Nack. ‘Je kunt wel geld betalen, maar uiteindelijk moet je het toch zelf doen. En ik zie dat studenten hier niet uit interesse zitten, maar om het tentamen te halen. En ik zie daar een neoliberale aanpak in terug: eerst het individu, dan de rest.’

‘Vroeger waren universiteiten speeltuinen voor de kinderen van de elite’

‘Daar komt wel bij dat ze veel meer andere dingen te doen hebben,’ zegt Nack. ‘Toen ik zesentwintig jaar geleden studeerde, had ik geen Facebook of WhatsApp of al die dingen. Het enige wat ik kon gaan doen was naar de kroeg gaan of een beetje sporten. Nu zie ik dat studenten veel meer werken omdat ze het geld nodig hebben. En dat verandert hun blik op de tijd die ze hebben.’

Foto: Privé-collectie
Arnoud Boot in zijn studententijd eind jaren 70

Calculeren

‘Vroeger waren universiteiten speeltuinen voor de kinderen van de elite. Die hadden niets met wetenschap van doen’, zegt Arnoud Boot, UvA-hoogleraar ondernemingsfinanciering. ‘De mentaliteit is nu zeker beter, maar de student heeft nog niet goed genoeg in de gaten hoe hij of zij zich optimaal kan ontwikkelen. Gebruik tijd om over dingen na te denken en volg niet alleen de standaard. De student was vroeger misschien een “slechtere” student, maar had toen wel de gelegenheid om rustig over dingen na te denken. Studenten zijn nu onvoldoende op zoek naar verrijking.’

 

Maar volgens Boot is dat niet de schuld van de student. ‘Ik begon in ’92 met lesgeven. De massaliteit op de uni begon toen eigenlijk net. Nu is die op zijn hoogtepunt, en wat betekent dat? Het onderwijs is veel meer gestandaardiseerd, wat calculerend gedrag uitlokt: “Welke trucjes moet ik doen om dit te halen?” De student komt althans calculerend over. En ik geloof dat dat gedrag ook wel echt erger geworden is. Het ultieme voorbeeld hoorde ik laatst van een collega: zijn derdejaarsstudenten kozen een eerstejaarsvak als keuzevak. Dat was namelijk makkelijker te halen. Qua beleefdheid merk ik geen veranderingen. De student gedraagt zich uitermate fatsoenlijk.’

‘Als ik om me heen kijk, zie ik dat onderscheidend zijn steeds belangrijker is voor de student’

Dat opleidingen nu standaardeisen hanteren leidt volgens Boot tot grote eenvormigheid: hoeveel tussentoetsen zijn er, wat zijn de normen voor een scriptie. ‘Wat speelt bij massaliteit is: hoe kun je jezelf onderscheiden? Als ik om me heen kijk, zie ik dat dat belangrijker is voor de student. En het gekke is, er is meer noodzaak voor onderscheiden, maar tegelijkertijd minder mogelijkheid om dat te doen. Scripties lijken meer op elkaar in termen van aanpak en opzet. Dus de student is meer calculerend. Of is het wat wij afdwingen?’

 

Geen ruimte om te falen

Bestuursvoorzitter Geert ten Dam, die ook nog steeds docerend hoogleraar onderwijskunde aan de UvA is, denkt ook na over de veranderingen van de student. ‘Ik vind dat studenten nu héél hard werken, door de bank genomen. En dat deden wij misschien ook wel, maar wij konden ons ook meer tempoverschillen veroorloven door de jaren heen. De ene keer spurtte je, dan deed je er een vak bij, dan deed je weer eens wat anders, en pakte je daarna wel weer het tempo op. Ik vind de druk nu continu hoog.’

Foto: Privé-collectie
Geert ten Dam in 1977

Hoe dat komt? Ten Dam: ‘Het heeft natuurlijk te maken met de inkrimping van het curriculum naar vier jaar. Ik kom nog uit de periode drie jaar kandidaats en twee jaar doctoraal. Uitloop was geen enkel probleem. Maar waar het ook door komt, is dat het hele stelsel van basisonderwijs tot en met universiteit selectiever is geworden. Er wordt meer werk gemaakt van selectie aan de poort en van honourstrajecten voor goed presterende studenten. En voor steeds meer masters zijn hoge cijfers een vereiste.’

 

‘Kijk,’ zegt Ten Dam. ‘Ik vind dat als je in de positie bent om hoger onderwijs te mogen volgen aan de universiteit, je je daarvoor ook moet willen inzetten. En het onderwijs moet jou daarbij maximaal ondersteunen. We moeten excellent onderwijs bieden aan gemotiveerde en capabele studenten, en niet andersom alleen onderwijs bieden aan excellente studenten. Daar zit een verschil in, want excellentie is immers ook iets wat je kunt ontwikkelen tijdens je opleiding. Maar door de context waarin studenten leven en werken, de druk van de lening en de studiebeurs, is er nauwelijks meer ruimte om te “falen”. En daar maak ik mij wel zorgen om.’

 

Om hier iets aan te doen, heeft de UvA rendement minder belangrijk gemaakt in het allocatiemodelHet allocatiemodel is de rekenmethode waarmee de UvA het geld dat ze van het ministerie krijgt verdeelt over de verschillende faculteiten., vertelt Ten Dam. ‘Wij krijgen een zak met geld en die verdelen we door via een bepaald principe naar de faculteiten. Maar het is nu niet meer zo dat een faculteit door ons niet meer bekostigd zou worden voor een student die in zijn of haar vijfde jaar nog vakken doet.’ Ook zegt zij in te zetten op meer aandacht voor psychosociale problematiek en op het belang van studentenverenigingen.

‘“Wat moet je lezen voor het tentamen?” is echt een heel oude vraag’

Is de student in de kern veranderd?

Eén ding weet ze zeker. De student is absoluut niet dommer geworden. ‘Dat is echt onzin. Maar ik schrik wel van het niveau van het Nederlands. Na een aantal jaren Engelstalig onderwijs zoals bij AUC of PPLE gaat de academische vaardigheid in het Nederlands achteruit. Daar ligt echt een opdracht voor de universiteit.’

 

Is de student in zijn gedrag nog veranderd? ‘Dat vind ik héél moeilijk,’ zegt Ten Dam. ‘Weet je waarom? Omdat je zelf ook met de tijd bent meegegroeid. Ik vind studenten nu heel zelfbewust, ook in wat ze kunnen en zijn in de wereld. Ik vind ze tegelijkertijd kwetsbaar en onzeker. Maar als ik me probeer te bedenken hoe dat was begin tachtiger jaren, dan vind ik dat heel moeilijk. Omdat je in een ander tijdsgewricht zat. Overigens was ook toen het vinden van een baan geen vanzelfsprekendheid. Voor mijn eerste baan – ik werd aangenomen na verschillende keren te zijn afgewezen - waren er meer dan honderd sollicitanten.’

 

En het gevoel dat de student calculeert en denkt ‘ik betaal hiervoor, regel het maar’? ‘Dat was veertig jaar terug ook,’ zegt Ten Dam. ‘“Wat moet je lezen voor het tentamen?” is echt een heel oude vraag. Maar ik vind de maatschappelijke context voor studenten nu heel ingewikkeld. De externe druk van de samenleving is groot geworden: je moet succesvol studeren met hoge cijfers, je moet ook een buitengewoon bloeiende vriendenkring en de spannendste vakanties hebben. Het leenstelsel zet extra druk op de zaak, want dat betekent dat je het ook financieel op orde moet krijgen. De woningen liggen niet voor het oprapen. Huren is een enorm probleem. Maar of in de kern studenten zijn veranderd, mag ik ernstig betwijfelen.’