Foto: Folia
actueel

Folia 70: onder werktijd behangen bij de ouders van je baas

Mina Etemad,
14 oktober 2018 - 09:39

Folia bestaat 70 jaar. Deze maand blikken we dagelijks terug met een artikel uit ons archief. Vandaag: een van de werkgevers van het Juridisch Instituut nam het niet zo nauw met wat er in de functieomschrijvingen van haar werknemers stond. Op een zomerse en rustige dag nam zij drie van hen mee naar het huis van haar ouders, waar nieuw behang op de muren gestreken moest worden.

Medewerkers juridisch instituut grepen in diensttijd naar de stijfselkwast

13 november 1976 - Rob Bartlema

 

De conservator van het Juridisch Instituut (de instelling die als wetenschappelijk instituut van de juridische faculteit het leermiddelenbestand beheert) mevrouw mr. W. M. Pelletier blijkt in diensttijd drie medewerkers van dat instituut gedurende één werkdag voor privédoeleinden te hebben gebruikt. De drie medewerkers, te weten Louis Meijer, werkzaam op de cataloguskamer van het instituut, mejuffrouw Van Grol, secretaresse op de bibliotheekadministratie, en kandidaat-assistent Frits Schirmeister blijken op 21 juni op verzoek van de conservator een dag lang te hebben behangen bij de ouders van mevr. Pelletier. De zaak is momenteel in onderzoek bij het Algemeen bestuur van de juridische faculteit.

 

Deze betrokkenen zijn inmiddels al wel door de toenmalige directeur van het Juridisch Instituut prof. Ankum zowel schriftelijk als mondeling berispt. Het algemeen bestuur van de juridische faculteit heeft echter, nadat over deze kwestie in de faculteitsraadvergadering van maandag 11 oktober vragen gesteld zijn door het lid van de Antwoordfractie Jurjen Pen vooralsnog geweigerd genoegen te nemen met deze afdoening. De secretaris van het AB Dick Roemers heeft inmiddels een nota opgesteld, waarin de precieze toedracht van het gebeurde uit de doeken wordt gedaan. Afgelopen donderdag was deze nota onderwerp van bespreking in het Algemeen bestuur, waarbij het met name ging om de vraag, of de toenmalige directeur van het instituut prof. Ankum adequaat genoeg heeft gereageerd en of het College van Bestuur niet officieel van de gang van zaken op de hoogte gesteld dient te worden. Bij het ter perse gaan van dit nummer was over de afloop van deze bespreking nog niets gehoord.

De gang van zaken op het Juridisch Instituut is voor de juridische faculteitsgangers al jarenlang een bron van soms vermakelijke geruchten

De gang van zaken op het Juridisch Instituut is voor de juridische faculteitsgangers al jarenlang een bron van soms vermakelijke geruchten. Bekend was dat mevrouw Pelletier niet schroomde een beroep te doen op de behulpzaamheid van de aan haar toevertrouwde kandidaat-assistenten, een beroep, dat over het algemeen maar nauwelijks geweigerd durfde te worden. Alleen, nooit werd bewezen dat de verrichte werkzaamheden in diensttijd werden verricht.

 

Tijdens de hete zomerdagen ging mevr. Pelletier echter duidelijk over de schreef. Louis Meijer, Frits Schirmeister en mejuffrouw Van Grol kregen ‘s ochtends, kort nadat zij op het tijdens die zomerdagen overigens volledig uitgestorven instituut waren gearriveerd, het verzoek zich naar het ouderlijk huis van mevr. Pelletier te spoeden, teneinde aldaar de woonkamer van een nieuwe tapisserie te voorzien.

‘s Middags werd er door het Maagdenhuis vrijaf gegeven, omdat de temperatuur boven de dertig graden kwam

Prof. Ankum, destijds directeur van het Juridisch Instituut, en momenteel decaan van de juridische faculteit: ‘Zij hebben alle drie aan dat verzoek gevolg gegeven, maar waar ik eerst bang voor was, namelijk, dat men niet durfde te weigeren omdat men vreesde in zijn of haar carrièremogelijkheden geschaad te worden, dat blijkt gelukkig niet het geval. Er is, zo hebben althans twee van de drie betrokkenen mij verzekerd, geen morele druk uitgeoefend. Alleen Schirmeister, die heeft gezegd zich wel enigszins overdonderd te hebben gevoeld. De anderen deden het echt als vriendendienst.’

 

Een feit blijft, vriendendienst of niet, dat de conservator van het Juridisch Instituut drie mensen op kosten van de universiteit heeft laten behangen. Ankum: ‘Ik heb van de zomer ook gezegd, dat ik het absoluut ontoelaatbaar vond. Ontoelaatbaar, ondanks het feit, dat er wel verzachtende omstandigheden waren. ‘s Middags werd er namelijk door het Maagdenhuis vrijaf gegeven, omdat de temperatuur boven de dertig graden kwam, en dus hadden de medewerkers achteraf die middag toch niet behoeven te werken.’

‘Studenten die fraude plegen worden zwaar aangepakt, het zou vreemd zijn, als dat met anderen niet of nauwelijks gebeurde’

‘Maar ik wil de zaak daarmee beslist niet goedpraten.’ Het zij zo, maar een mondelinge berisping is toch wel een uiterst coulante reactie te noemen op het gedrag van mevr. Pelletier. Ook de Faculteitsraad was die mening toegedaan, toen op 11 oktober, het Antwoordlid Jurjen Pen bij de rondvraag de zaak aan de orde stelde. ‘Is aan het bestuur bekend dat de conservator van het Juridisch Instituut onder diensttijd twee kandidaat-assistenten heeft doen behangen op een ander adres dan het Juridisch Instituut, vermoedelijk bij haar thuis?’ zo luidde het eerste onderdeel van zijn vraag.

 

Prof. Ankum, toen nog ‘gewoon’ lid van het Algemeen bestuur antwoordde daarop, dat het feit, dat er behangen wás – overigens niet door twee – kandidaat-assistenten, maar door één, benevens door een voormalig kandidaat-assistent, nu parttime in dienst van het Juridisch Instituut, alsmede door een secretaresse hem al lang bekend was, maar dat het feit, dat dit in diensttijd had plaatsgevonden hem kortelings ter ore was gekomen. De raad vond het van belang dat de zaak goed werd uitgezocht, en dat de gevolgen in de raad besproken zouden worden. Het faculteitsraadslid mr. Peter Nicolai vroeg zich tijdens de discussie met name af, wat die gevolgen zouden kunnen zijn. Hijzelf dacht het terugbetalen van het financieel voordeel. ‘Studenten die fraude plegen worden zwaar aangepakt, het zou vreemd zijn, als dat met anderen niet of nauwelijks gebeurde,’ aldus mr. Nicolai.

 

Door elkaar

En dan gaan er een aantal zaken op toevallige wijze vreemd door elkaar lopen. De directeur van het Juridisch Instituut prof. Ankum, wordt een paar dagen na de bewuste vergadering volgens plan decaan van de juridische faculteit, en dus cq. voorzitter van het Algemeen en Dagelijks bestuur. Twee dagen na zijn infunctietreding als decaan op 14 oktober, op 17 oktober dus, treedt hij af als directeur van het Juridisch Instituut.

 

Hij besluit op de laatste dag dat hij in functie is als directeur, te weten op 20 oktober, de betrokkenen een brief te schrijven om ze nog een schriftelijk een schrobbering te geven.

 

Ankum zegt daarover nu: ‘Achteraf zou je misschien kunnen zeggen dat ik met het schrijven van die brief wel wat laat geweest ben.’ Dat vinden een aantal mensen in het Algemeen bestuur, waar hij nu voorzitter van is, eigenlijk ook wel, zo blijkt. Ankum: ‘Er wordt binnen het AB over deze zaak nog wel gepraat. Daarbij gaat het nog uitsluitend over de houding van de toenmalige directeur van het Juridisch Instituut [Ankum zelf dus, red.] en beslist niet over strengere straffen of zoiets. Wel staat ter discussie, of we de gang van zaken officieel moeten melden bij het College van Bestuur, maar daar zijn we ook nog niet uit.’